De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit over hun twee minderjarige kinderen, die sinds 2019 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling en met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders aan vaderszijde verblijven. In 2022 bepaalde de rechtbank dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader is en beëindigde het het gezamenlijk gezag ten gunste van de vader.
De moeder kwam in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht primair het gezag niet te beëindigen en subsidiair om een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht het hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren en de beschikking te bekrachtigen.
Het hof oordeelde dat de kinderen in een instabiele en bedreigende opvoedomgeving zijn opgegroeid, met hechtingsproblemen en cognitieve achterstanden. Ondanks hulpverlening was de moeder onvoldoende in staat om tijdig en onvoorwaardelijk mee te werken aan belangrijke beslissingen, wat onrust bij de kinderen veroorzaakte. Het gezamenlijk gezag vormt daarom een blijvende ontwikkelingsbedreiging. Het verzoek tot deskundigenonderzoek werd afgewezen omdat dit de kinderen zou belasten en het evenwicht zou verstoren.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek tot deskundigenonderzoek en verlenging van de ondertoezichtstelling af, waarmee het gezag van de moeder over de kinderen definitief werd beëindigd.