In deze civiele zaak staat centraal of partijen mondeling zijn overeengekomen gezamenlijk te investeren in onroerend goed en of appellant aanspraak kan maken op betaling van een deel van de netto baten uit de exploitatie hiervan.
De feiten betreffen investeringen en eigendomsoverdrachten van twee panden, waarbij appellant stelt dat hij recht heeft op respectievelijk 35% en 50% van de netto baten uit exploitatie. Geïntimeerden betwisten het bestaan van een dergelijke overeenkomst en voeren onder meer aan dat appellant geen eigenaar is en slechts een vergoeding voor beheerswerkzaamheden ontving.
De rechtbank wees de vorderingen van appellant af wegens niet-naleving van de bewijsopdracht. Het hof oordeelt dat appellant voldoende aanwijzingen heeft aangevoerd om tot bewijslevering te worden toegelaten, waaronder handgeschreven notities, een conceptovereenkomst, bankoverschrijvingen en getuigenverklaringen.
Het hof wijst het beroep op verjaring en niet-ontvankelijkheid af en beveelt getuigenverhoor ter bewijslevering. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na bewijslevering.