Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake de ontnemingsvordering tegen de betrokkene, die was veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrifte, oplichting, gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie.
De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op ruim 22 miljoen euro en de betalingsverplichting aan de Staat daarop gebaseerd. In hoger beroep werd een onherroepelijk Belgisch vonnis overgelegd waarin aan benadeelden een collectieve vordering van ruim 83 miljoen euro was toegewezen, wat ruimschoots de ontnemingsvordering overstijgt.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 36e Sr (oud) aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gezien de omvang van de Belgische vorderingen stelde het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting op nihil.
De vordering op basis van een Amerikaans faillissementsvonnis werd niet in mindering gebracht, maar dit was niet relevant omdat de Belgische vorderingen het voordeel ruimschoots overtroffen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht door het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting op nihil te stellen.