Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[eiser 1] ,
[eiser 3],
[eiser 3],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
:
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak gaat het om het geschil tussen ouders en hun dochter enerzijds en een kindertherapeute anderzijds over de verstrekking van het medisch dossier van de minderjarige dochter en de verbeurde dwangsommen wegens niet-naleving van een vonnis. De kindertherapeute had een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2017 gekregen waarin zij werd veroordeeld het dossier binnen vijf werkdagen na betekening te verstrekken, met een dwangsom bij niet-naleving.
Na betekening van het vonnis stelde de kindertherapeute hoger beroep en verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging. Tijdens een zitting op 1 juni 2017 spraken partijen af dat de tenuitvoerlegging van de dwangsommen geschorst zou worden en dat de dwangsommen niet geëxecuteerd zouden worden totdat het hof een arrest zou wijzen. De kindertherapeute vroeg in het proces-verbaal te vermelden dat niet geëxecuteerd zou worden vanaf 16 mei 2017.
De kern van het geschil is of de dwangsommen over de periode van 16 mei tot 1 juni 2017 alsnog kunnen worden geïnd. Het hof oordeelt dat uit de redelijke uitleg van de afspraken niet volgt dat de reeds verbeurde dwangsommen niet op een later moment kunnen worden geïnd. De kindertherapeute heeft het dossier pas op 27 maart 2018 verstrekt, waardoor zij dwangsommen is verschuldigd over de genoemde periode.
Het hof verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun persoonlijke hoedanigheid, vernietigt het bestreden vonnis voor zover het dwangsommen over die periode afwees en veroordeelt de kindertherapeute tot betaling van € 4.000,- aan dwangsommen. Tevens wordt zij veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Geïntimeerde is dwangsommen verschuldigd over de periode 16 mei tot 1 juni 2017 wegens niet tijdige verstrekking van het medisch dossier.