ECLI:NL:GHAMS:2025:1231
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende stabiliteit financiële situatie
Appellant heeft in hoger beroep verzocht om alsnog toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling nadat de rechtbank dit verzoek had afgewezen. Hij stelde dat de rechtbank onjuiste feiten had aangenomen en dat hij inmiddels een stabiel maandelijks inkomen zou ontvangen via een WIA-uitkering. Tevens gaf hij aan gemotiveerd te zijn zijn schulden te saneren.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 288 Faillissementswet Pro de schuldenaar aannemelijk moet maken dat hij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. Hoewel appellant bereidheid toont zijn schulden aan te pakken en een GGZ-behandeltraject volgt, acht het hof dit onvoldoende voor een stabiele situatie. De negatieve adviezen van de schuldhulpverlener en het stopzetten van budgetbeheer wegen zwaar mee.
Daarnaast is gebleken dat appellant slechts een beperkt sociaal vangnet heeft en geen beschermingsbewind heeft ingesteld, ondanks het advies daartoe. Het door appellant overgelegde e-mailbericht van een bedrijf geeft geen duidelijkheid over de financiële haalbaarheid. Het hof concludeert dat appellant onvoldoende vertrouwen wekt om de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling na te komen.
Het arrest bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst erop dat appellant op termijn opnieuw een verzoek kan indienen indien zijn situatie stabieler wordt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende stabiliteit van de financiële situatie.