4.Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“
Op de zaak betrekking hebbende stukken (bezwaarfase)
4. Eiseres stelt dat verweerder artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft geschonden door niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen toe te zenden aan haar gemachtigde. Meer in het bijzonder doelt eiseres op de grondstaffel en de zogenoemde KOUDV-factoren. Het is voor een gemachtigde die veel belastingplichtigen bijstaat niet werkbaar om telkens naar het bestuursorgaan te moeten reizen om stukken in te zien. Bovendien werken er meerdere personen van het kantoor van de gemachtigde aan het dossier, waardoor het noodzakelijk is dat er een afschrift van deze stukken in het dossier zit.
5. Op grond van artikel 7:4 en artikel 8:42 van de Awb in samenhang beoordeeld en met inachtneming van de wetsgeschiedenis is er voor eiseres slechts een inzagerecht in de stukken voorafgaand aan het hoorgesprek. Indien hiervan gebruik is gemaakt kan tegen vergoeding een afschrift van deze stukken verkregen worden. In deze zaak is niet in geschil dat de stukken voorafgaand aan het hoorgesprek in bezwaar ter inzage hebben gelegen en dat eiseres geen gebruik van haar inzagerecht heeft gemaakt. Anders dan eiseres betoogt is de rechtbank van oordeel dat artikel 6:17 van de Awb geen verdergaande verplichting voor verweerder tot toezending van stukken met zich brengt. Artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ brengt mee dat verweerder het taxatieverslag gedurende de bezwaarfase dient te overleggen, hetgeen is gebeurd. Verweerder heeft daarom voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de artikelen 7:4 en 6:17 van de Awb en artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ (vgl. Hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499). 6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde waarderapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De door verweerder in het waarderapport en waardeopbouw genoemde vergelijkingsobjecten zijn wat type, bouwjaar, ligging en omvang betreft voldoende vergelijkbaar met de woning. Verweerder heeft ter zitting onbetwist toegelicht dat het type woning van eiseres (een vrijstaande bungalow) niet veel voorkomt in [Z]. Verder is [Z] ook een vrij kleine plaats waardoor het aantal vergelijkingsobjecten beperkt is. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder gebruikte vergelijkingsobjecten voldoende bruikbaar zijn, ook al zijn zij niet in dezelfde wijk gelegen en zijn twee verkopen wat verder van de waardepeildatum (1 januari 2020) verwijderd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de herleide verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning op de waardepeildatum.
8. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit – gelet op het door hem overgelegde waarderapport met waardeopbouw en de door hem gegeven toelichting hierop – heeft gedaan. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat rekening is gehouden met de staat van het onderhoud van de woning door het onderhoud in de matrix te kwalificeren als matig (2).
9. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de inpandige garage bij [Z] 71 is meegewaardeerd in de kubieke meters van het hoofdgebouw. Dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk, aangezien in de waardeopbouw geen waarde wordt toegekend aan de garage en de m3-prijs is afgeleid op basis van de inhoud van het hoofdgebouw (672 m3). Dat daarbij de inhoud van de garage (75 m3 volgens de waardeopbouw) niet is inbegrepen, blijkt uit de door verweerder overgelegde iWOZ-rapportage, waarin een totale inhoud van 790 m3 wordt opgegeven. Dat de inhoud van het hoofdgebouw 747 m3 zou bedragen en de inhoud van de garage daarbij nog opgeteld zou moeten worden, zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, staat haaks op de gegevens die in de matrix zijn opgenomen. Indien de m3-prijs voor het vergelijkingsobject [Z] 71 hiervoor zou worden gecorrigeerd door voor de garage van dat object dezelfde waarde in aanmerking te nemen als voor de garage van de woning (€ 67.500), zou de (gecorrigeerde en ongecorrigeerde) m3-prijs voor de woonruimte van [Z] 71 lager uitkomen, namelijk op € 597,32. Op grond daarvan kan echter nog niet worden geconcludeerd dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Verweerder is weliswaar voor de woonruimte van de woning uitgegaan van een (ongecorrigeerde) m3-prijs van € 722,48, maar daar staat tegenover dat uit de verkoopcijfers voor de vergelijkingsobjecten [B-straat] 140 en [C-straat] 19 (gecorrigeerde) m3-prijzen van respectievelijk € 686,57 en € 783,10 zijn afgeleid. De m3-prijs voor de woonruimte van de woning bevindt zich daarmee nog steeds binnen het bereik van de voor de vergelijkingsobjecten vastgestelde prijzen. De vastgestelde WOZ-waarde van € 739.000 geeft ten opzichte van de getaxeerde waarde in het waarderapport (€ 761.000) bovendien voldoende ruimte om zo nodig enig waardeverschil te overbruggen.
10. De omstandigheid dat de WOZ-waarde van de woning in 2022, ondanks een stijgende markt, lager is vastgesteld (op € 717.000) doet hier niet aan af. Verweerder stelt immers ieder jaar de WOZ-waarde vast door middel van een methode van vergelijking met de dan beschikbare verkoopcijfers van vergelijkbare woningen.
11. Eiseres stelt verder dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de indexeringscijfers inzichtelijk te maken en dat niet bekend is hoe verweerder tot de toegepaste indexeringspercentages is gekomen. Verweerder heeft - in antwoord hierop - toegelicht dat verkoopcijfers binnen de gemeente rond de waardepeildatum worden geanalyseerd en dat uit deze analyse een mediaan bepaling volgt die vervolgens wordt getoetst aan cijfers van de NVM en het CBS. Het resultaat is een indexpercentage per gemeente en per type woning. Het bepaalde percentage per type object wordt in de hele gemeente gebruikt om de verkopen te indexeren naar de waardepeildatum.
12. Naar aanleiding hiervan oordeelt de rechtbank het volgende. De enkele stelling dat de indexering niet inzichtelijk is, maakt deze niet onjuist. Uit de door verweerder overgelegde waardeopbouw volgen de voor de vergelijkingsobjecten gehanteerde indexeringspercentages zodat deze inzichtelijk zijn. De rechtbank ziet geen bijzonderheden in de gehanteerde indexeringspercentages die nopen tot een andere waardering. De rechtbank volgt verweerder in de door hem gegeven onderbouwing en acht de gehanteerde indexeringspercentages voldoende aannemelijk gemaakt. De indexeringspercentages berusten bovendien – en mogen ook berusten – op een inschatting die de taxateur maakt op grond van zijn ervaring en kennis, waarbij hij mede gebruik maakt van de permanente marktanalyse die wordt uitgevoerd om te bezien of de gehanteerde percentages aanpassing behoeven.
13. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de vastgestelde waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. De waarde is dan ook niet te hoog vastgesteld.
14. De rechtbank zal het beroep, gelet op het vorenoverwogene, ongegrond verklaren.”