Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:1558

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
23/795
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 1 Wet bpm 1992Art. 7 lid 1 Wet bpm 1992Art. 7:2 AwbArt. 8:42 AwbArt. 19 lid 3 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm en vergoeding griffierecht

Belanghebbende heeft tegen een naheffingsaanslag bpm hoger beroep ingesteld. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, maar wel immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende vorderde tevens vergoeding van griffierecht, hetgeen door de rechtbank was afgewezen.

Het Hof stelt vast dat de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld en dat belanghebbende niet is geslaagd in het bewijs dat de door de inspecteur gehanteerde taxatiewaarde te hoog is. Ook is de hoorplicht niet geschonden. Wel oordeelt het Hof dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding van het betaalde griffierecht heeft toegewezen, gelet op een arrest van de Hoge Raad van mei 2024.

Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het griffierecht niet werd vergoed, gelast de inspecteur en de Staat ieder voor de helft het betaalde griffierecht te vergoeden, en veroordeelt hen in de proceskosten van belanghebbende. Verder wijst het Hof de overige grieven af en bevestigt het dat algemene bezwaren tegen de toepassing van Unierecht reeds eerder zijn afgewezen.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het griffierecht niet werd vergoed en gelast de inspecteur en de Staat tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 23/795
20 mei 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 21 juli 2023 in de zaak met kenmerk HAA 21/5365 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en

1.de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en

2.
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende, over een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) van € 1.453 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 9, alsmede op zijn verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.038;
  • veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 462;
en
- veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 837.”
1.2.
Belanghebbende heeft het hoger beroep op 1 september 2023 ingesteld. Daarna zijn de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
  • een aanvulling/herhaling van de gronden van het hoger beroep;
  • een verweerschrift;
  • een pleitnota zijdens belanghebbende (dagtekening 6 januari 2025);
  • een nader stuk (“Opvraag artikel 8:42 Awb Pro gegevens”) zijdens belanghebbende, en
  • pleitaantekeningen zijdens belanghebbende (op 20 januari 2025).
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

Het Hof gaat uit van de volgende, in hoofdzaak reeds door de rechtbank vastgestelde feiten, waarover tussen partijen geen geschil bestaat.
2.1.
Met dagtekening 19 september 2019 heeft belanghebbende een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Golf 2.0 TSI GTI TCR met een voertuigidentificatienummer eindigend op [#] (hierna: de auto).
2.2.
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
01-03-2019
CO2-uitstoot
151
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 36.926
Bruto bpm
€ 10.716
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 55.397
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 18.600
Verschuldigde bpm
€ 3.597
2.3.
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur 1] van 19 september 2019, ondertekend door [naam] . In dat rapport is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 26 juli 2019 tussen 17:00 en 17:20 uur te Amsterdam en wordt melding gemaakt van een gecalculeerde schade van € 19.191, die leidt tot een waardevermindering van € 17.271. een handelsinkoopwaarde in huidige staat van € 18.600 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 35.871, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen voor referentievoertuigen onder aftrek van een marge.
2.4.
De auto is op 1 oktober 2019 geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ naar aanleiding van de schouw zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 40.740
Historische nieuwprijs
€ 60.012
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 34.893 (koerslijst [taxateur 2] )
Bruto schadecalculatie
€ 6.932
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 5.425 (78%)
Handelsinkoopwaarde
€ 29.468
In het rapport is ter toelichting vermeld dat diverse in het taxatierapport opgevoerde posten ofwel onder normale gebruiksschade vallen ofwel geen schade (meer) betreffen.
2.5.
De inspecteur heeft bij brief van 4 maart 2020 zijn voornemen kenbaar gemaakt aan belanghebbende om bpm na te heffen voor de auto op de grond dat de verschuldigde bpm voor de auto zijns inziens € 5.050 bedraagt, uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 29.468. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken schriftelijk te reageren op het voornemen. Van deze gelegenheid heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt.
2.6.
De inspecteur heeft met dagtekening 22 mei 2020 de litigieuze naheffingsaanslag bpm opgelegd conform zijn voornemen, vermeerderd met € 124 belastingrente.
2.7.
Tot de stukken van het geding behoort een door de inspecteur opgesteld verslag van een hoorgesprek van 22 maart 2021, waarin is vermeld dat de gemachtigde van belanghebbende aanwezig was. Tevens behoort tot die stukken een e-mailbericht van de gemachtigde waarin op het verslag wordt gereageerd en dat afsluit met:
“Voor het overige kan ik mij vinden in de opmerkingen en zie de uitspraken graag per omgaande tegemoet, alles is kennelijk gegrond en zal linea recta overgebracht worden naar de beroepsfase, de hoger beroepsfase en cassatie.
In tussentijd heeft lidstaat Nederland al flinke klop gehad van de EC.”
2.8.
Bij uitspraak op bezwaar van 30 september 2021 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking ongegrond verklaard.

3.Geschil in hoger beroep

3.1.
Net als in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de nevenbeslissingen in de bestreden uitspraak toereikend zijn.
3.2.
Hetgeen partijen in het kader van het geschil hebben aangevoerd komt, voor zover relevant voor de te nemen beslissing, bij de beoordeling aan de orde.

4.Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het opvragen tenaamstellinggegevens
4.1.
Daags voor de zitting heeft belanghebbende het Hof verzocht om de inspecteur te gelasten gegevens over de tenaamstelling van de auto in het geding te brengen. Met die gegevens zou kunnen worden nagegaan of belanghebbende de belastingplichtige is als bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Wet bpm 1992 en was gehouden tot voldoening van de bpm.
4.2.
Het Hof constateert dienaangaande dat belanghebbende niet heeft bestreden de aanvraag tot inschrijving van de auto in het kentekenregister te hebben gedaan. Met dat als uitgangspunt was hij gehouden de verschuldigde bpm op aangifte te voldoen (o.g.v. artikel 19, lid 3, AWR dan wel artikel 7, lid 1, Wet bpm 1992), zoals hij ook (ten dele) heeft gedaan. Zonder nadere substantiëring, die ontbreekt, valt het niet in te zien dat tenaamstellingsgegevens overigens voor de beslechting van enig geschilpunt van belang zijn. Het Hof wijst het verzoek daarom af.
Ten aanzien van de materiële belastingheffing
4.3.
Beide partijen staan een bepaling van de afschrijving van de auto voor met gebruikmaking van de taxatiemethode. In dat kader is een koerslijstwaarde slechts een uitgangspunt. Nu belanghebbende meent dat de handelsinkoopwaarde van de auto te hoog is vastgesteld, ligt het op zijn weg te bewijzen dat door de inspecteur gehanteerde taxatiewaarde als geheel genomen te hoog is.
4.4.
Mede in aanmerking genomen dat de taxateur van belanghebbende tot een hogere waarde van de auto in onbeschadigde staat heeft geconcludeerd, is belanghebbende niet in dat bewijs geslaagd enkel met het niet op dit concrete geval toegespitste betoog dat (a) de bijstellingen voor markt- en dealersituatie hadden moeten worden toegepast in de koerslijst van [taxateur 2] , en (b) het bedrag van de gecalculeerde schade euro voor euro leidt tot een vermindering van de waarde van de auto.
4.5.
Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de inspecteur de verschuldigde bpm tot een te hoog bedrag heeft berekend. De klachten van belanghebbende dienaangaande falen daarom.
Ten aanzien van de hoorplicht
4.6.
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te betogen dat de hoorplicht van artikel 7:2 Awb Pro is geschonden, faalt dat betoog, omdat belanghebbende is gehoord (zie 2.7).
Ten aanzien van het griffierecht voor de behandeling van het beroep
4.7.
De klacht van belanghebbende dat de rechtbank de inspecteur en de Staat had moeten gelasten het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep te vergoeden, slaagt wel. De omstandigheid dat een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen en dit een geval betreft van voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, had daartoe aanleiding moeten geven. Het Hof zal de inspecteur en de Staat alsnog gelasten het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, elk voor de helft, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Ten aanzien van de overige grieven
4.8.
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding de uitspraak van de rechtbank verdergaand te vernietigen. Het betreft vooral grieven van algemene aard over schendingen van het Unierecht, waaronder beweerdelijk onbevoegde uitleggingen van dat recht door de Hoge Raad, de rechtbank en het Hof. Die grieven zijn al vaak afgewezen. Op basis van hetgeen thans is aangevoerd, is het Hof dienaangaande ook niet tot andere of nadere oordelen gekomen dan die welke al zijn te kennen uit de uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184 (rov. 4.4).
Slotsom
4.9.
Het hoger beroep is gegrond, doch enkel vanwege het ontbreken van een beslissing over de vergoeding van griffierecht in de bestreden uitspraak.

5.Kosten

5.1.
Aanleiding bestaat de inspecteur en de Staat te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, zijnde kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn die kosten in beginsel te berekenen op € 454, uitgaande van 2 punten (het beroepschrift en de zitting), een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor van 0,5, omdat het een eenvoudige zaak betreft, met een gering financieel belang ook, en een vermindering op de voet van artikel 2, lid 2, van genoemd besluit, omdat belanghebbende slechts op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk wordt gesteld dat op zichzelf beschouwd een wegingsfactor van niet meer dan 0,25 rechtvaardigt.
5.2.
Het Hof ziet evenwel aanleiding de kosten voor het hoger beroep verder te matigen vanwege een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit hoger beroep ter zitting bij het Hof is behandeld tegelijk met zeventien andere hoger beroepen waarin de gemachtigde als zodanig optreedt. In al die hoger beroepen zijn in volstrekt overwegende mate dezelfde geschilpunten op sjabloonmatige wijze aan de orde gesteld, zij het in enigszins wisselende samenstellingen (niet steeds het volledige arsenaal). Het Hof is voorts ambtshalve ermee bekend dat de gemachtigde in nog honderden dan wel duizenden vergelijkbare zaken op dezelfde wijze optreedt. Als met de synergievoordelen voor de gemachtigde als gevolg van die factoren geen rekening wordt gehouden, maar onverkort wordt vastgehouden aan het forfait, zou een vergoeding worden toegekend die de in redelijkheid gemaakte kosten verre overtreft. Het Hof matigt de te vergoeden kosten voor het geding in hoger beroep daarom,
ex aequo et bono, tot dertig percent, zijnde (afgerond) € 136. De inspecteur en de Staat worden ieder tot vergoeding van de helft van dat bedrag veroordeeld.
5.3.
Voor een integrale kostenvergoeding ziet het Hof geen aanleiding, laat staan een van meer dan € 24.000 of zelfs € 83.000, als waartoe (de gemachtigde van) belanghebbende heeft verzocht, nog daargelaten dat belanghebbende, naar het Hof begrijpt, aan zijn gemachtigde niet meer is verschuldigd voor de bijstand in hoger beroep dan de kosten die de inspecteur ingevolge deze uitspraak aan hem moet uitbetalen.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover de inspecteur en de Staat daarin niet zijn gelast het betaalde griffierecht te vergoeden;
  • gelast de inspecteur en de Staat het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep (€ 181) en voor de behandeling van het hoger beroep (€ 274) te vergoeden, ieder voor de helft (€ 227,50), en beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan, en
  • veroordeelt de inspecteur en de Staat in de kosten van belanghebbende van het geding voor het Hof en (nader) in de kosten van belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 136, ieder voor de helft (€ 68).
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, A.M. van Amsterdam en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 20 mei 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: