ECLI:NL:GHAMS:2025:1629
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis over onverschuldigde betaling wegens valse factuur en onvoldoende tegenbewijs
In deze civiele zaak stond centraal of een door appellant overgelegde factuur van een derde vals was en of appellant tegenbewijs kon leveren tegen de stelling van geïntimeerde dat deze factuur vals was. Het hof verwijst naar een eerder tussenarrest en beoordeelt het verdere verloop van het hoger beroep.
Appellant bracht schriftelijke verklaringen in waarin hij de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van de derde betwistte, onder meer vanwege een verstoorde relatie en administratieve fouten bij die derde. Desondanks heeft appellant geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om getuigen te horen, wat het hof als een gemiste kans ziet om het tegenbewijs te leveren.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd en dat vaststaat dat de factuur vals is. Verder heeft appellant de gedeclareerde uren voor het opstellen van een conceptdagvaarding onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop heeft geïntimeerde onverschuldigd betaald en wordt een bedrag van € 342,90 plus wettelijke rente aan geïntimeerde toegewezen.
Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis, veroordeelt appellant tot betaling van het bedrag en in de proceskosten, en wijst het meer of anders gevorderde af. Het arrest is uitgesproken door drie raadsheren op 24 juni 2025.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant tot betaling van € 342,90 plus wettelijke rente en proceskosten aan geïntimeerde.