ECLI:NL:GHAMS:2025:1751

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
200.354.692
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a RvArt. 254 RvArt. 6:265 BWArt. 7:214 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ontruimingsvordering wegens ondergeschikte shisha-aanbieding in eetcafé

In deze zaak stond een vordering tot ontruiming van een bedrijfsruimte centraal, waarbij de verhuurder stelde dat de huurder de ruimte niet overeenkomstig de contractuele bestemming als eetcafé gebruikte. De kantonrechter had de vordering deels toegewezen, maar het hof Amsterdam vernietigde dit vonnis in hoger beroep.

Het hof overwoog dat een ontruiming een ingrijpende maatregel is die terughoudend moet worden toegepast, zeker in kort geding waar geen diepgaand feitenonderzoek mogelijk is. Het ondergeschikte aanbieden van shisha werd niet als strijdig met de bestemming aangemerkt, mede omdat dit niet in strijd is met gemeentelijke regels. Andere verwijten, zoals het indienen van valse bewijsstukken en het exploiteren zonder vergunning, waren onvoldoende bewezen en behoorden tot de feiten die in een bodemprocedure moeten worden onderzocht.

Het hof concludeerde dat geen sprake was van een tekortkoming die ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. Daarom wees het de vordering tot ontruiming af en vernietigde het het bestreden vonnis. Tevens werd de boete geheel afgewezen. De proceskosten werden aan de zijde van de verhuurder veroordeeld. De incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen en het bestreden vonnis vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer : 200.354.692/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11570279 \ KK EXPL 25-131
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 juni 2025
inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] ,
appellant in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
eiser in het incident,
advocaat: mr. N.M. Don te Amsterdam,
tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. J.M.J. van der Grinten te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
Tegenwoordig zijn:
mr. J.C.W. Rang - voorzitter
mr. L.A.J. Dun - raadsheer
mr. D.W.J.M. Kemperink - raadsheer
mr. M.J.S. Crousen - griffier
Verschenen zijn:
aan de zijde van appellant:
- [appellant] en zijn echtgenote, bijgestaan door mr. Don voornoemd,
aan de zijde van geïntimeerde:
- [naam] ( [functie] ), bijgestaan door mr. van der Grinten voornoemd en mr. N.L. Bol, advocaat te Amsterdam.

Het geding in hoger beroep

Bij vonnis in kort geding van 28 april 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie, heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam , in conventie de vorderingen van [geïntimeerde] (deels) toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft zij de vorderingen van [appellant] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
[appellant] is bij dagvaarding van 20 mei 2925 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis, voor zover in conventie gewezen (hierna te noemen: het bestreden vonnis). De dagvaarding bevat acht grieven. Aan de dagvaarding zijn producties gehecht.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten. Daarnaast heeft [appellant] een incidentele vordering ingesteld om, in afwachting van de uitkomst van het onderhavige hoger beroep, de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis te schorsen.
Op 3 juni 2025 heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, ingediend, met producties.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in het incident, althans tot afwijzing daarvan. In de hoofdzaak heeft [geïntimeerde] in principaal appel geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep en in incidenteel appel tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de kantonrechter de gevorderde boete heeft gematigd en tot toewijzing van de gehele gevorderde boete, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief de nakosten en met rente.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de hiervoor genoemde advocaten het woord gevoerd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord.
Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergegeven.

Beoordeling

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de kantonrechter zijn opgesomd.
2. Het hof overweegt verder als volgt.
a. Zoals de kantonrechter al heeft overwogen grijpt een vordering tot ontruiming in kort geding diep in in het gebruiksrecht en de huurbescherming van de huurder. Dit betekent dat bij de toewijzing van een dergelijke vordering terughoudendheid moet worden betracht. Er kan in kort geding immers geen diepgaand onderzoek naar de feiten plaatsvinden en een ontruiming is veelal onomkeerbaar.
b. De vraag moet worden beantwoord of zonder nader feitenonderzoek op een beslissing van de bodemrechter vooruit kan worden gelopen in die zin dat hoogstwaarschijnlijk is dat die tot ontbinding en ontruiming van het gehuurde zal beslissen.
c. Daarvoor is nodig dat een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst bestaat van voldoende gewicht om de ontbinding van die overeenkomst en de gevolgen daarvan te rechtvaardigen. Die gevolgen zijn in dit geval onder meer dat [appellant] zijn investering van vele tienduizenden euro’s, bij gebreke van de mogelijkheid die terug te verdienen, in rook zal zien opgaan en zijn bedrijfsvoering moet opgeven.
d. Naar het voorlopig oordeel van het hof is het op ondergeschikte wijze aanbieden van shisha niet in strijd met de contractuele bestemming van het gehuurde als eetcafé. Partijen verschillen erover van mening of het aanbieden van shisha hier ondergeschikt was aan het aanbieden van maaltijden. Dit zal eventueel in een bodemzaak moeten worden uitgezocht. Een kort geding is daarvoor niet geschikt. Het hof moet op grond van de overgelegde bewijsstukken bovendien constateren dat het op ondergeschikte wijze aanbieden van shisha niet in strijd is met gemeentelijke regels. Het geconstateerde aanbieden van shisha rechtvaardigt dus geen toewijzing van de vordering tot ontruiming in kort geding.
e. Het volgende verwijt dat [geïntimeerde] aan [appellant] maakt is het indienen van valse bewijsstukken en het verstrekken van onjuiste informatie aan de gemeente. Over wat hier precies is gebeurd lopen de stellingen van partijen uiteen. Ook dit zal in een bodemzaak moeten worden uitgezocht. Een vordering tot ontruiming in kort geding kan daarop niet worden gebaseerd.
f. [geïntimeerde] verwijt [appellant] verder dat deze zijn bedrijf enige tijd heeft geëxploiteerd zonder de vereiste vergunningen. In aanmerking genomen dat [geïntimeerde] wist dat [appellant] de vergunningen nog moest aanvragen, maar niettemin hem al had gebonden aan een exploitatieverplichting, rechtvaardigt naar het voorlopig oordeel van het hof het feit dat in de eerste periode al een begin is gemaakt met de exploitatie voordat de vergunningen waren verleend, niet de ontbinding van de huurovereenkomst en dus ook geen ontruiming in kort geding, vooruitlopend daarop. Dit geldt ook wanneer dit feit in samenhang wordt bezien met het – erkende - feit dat na het verlenen van de vergunningen [appellant] het café in de opstartfase niet steeds gedurende de openingstijden geopend heeft gehad. Of het juist is dat het café sinds het bestreden vonnis helemaal niet meer open is geweest, zoals [geïntimeerde] in hoger beroep heeft gesteld, zal in een bodemzaak moeten worden uitgezocht.
g. Op grond van het voorgaande wordt de vordering tot ontruiming alsnog afgewezen. Omdat niet voldoende aannemelijk is geworden dat in strijd met de contractuele bestemming is gehandeld, wordt ook de boete alsnog geheel afgewezen.
3. De slotsom uit het voorgaande is dat het principale appel slaagt en het incidentele appel faalt. De proceskosten in de eerste aanleg en in principaal en incidenteel hoger beroep zijn daarom voor [geïntimeerde] . Bij deze stand van zaken heeft [appellant] geen belang meer bij de incidenteel gevorderde schorsing van de executie, zodat die vordering wordt afgewezen. De kosten van het incident worden gecompenseerd.

Beslissing:

Het hof:
in de hoofdzaak in principaal appel en in incidenteel appel:
vernietigt het bestreden vonnis;
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 814,= voor salaris en in principaal en incidenteel hoger beroep op € 506,47 aan verschotten en € 3.642,= voor salaris en € 178,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in het incident:
wijst de vordering af;
compenseert de kosten van het incident aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat conform art. 29a lid 3 Rv is ondertekend door de voorzitter.
--------------------------------
voorzitter