Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
- 11 november 2020 tot en met 16 november 2020.
- 25 november 2020 tot en met 12 december 2020.
- 22 december 2020 tot en met 18 januari 2021.
Gerechtshof Amsterdam
De moeder van appellant had een huurovereenkomst met woonstichting Lieven de Key. Na haar overlijden vorderde appellant voortzetting van deze huurovereenkomst. De kantonrechter wees deze vordering af omdat appellant en haar moeder geen gemeenschappelijke huishouding voerden. Het hof bevestigt dit oordeel.
In hoger beroep stond vast dat appellant sinds 2014 op het adres van de woning was ingeschreven en zorgde voor haar moeder die ernstig ziek was. Appellant voerde aan dat zij en haar moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, ondersteund door verklaringen en bewijs van financiële verwevenheid. Lieven de Key betwistte dit en stelde dat appellant per saldo niet bijdroeg aan de gezamenlijke huishoudkosten.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde van financiële verwevenheid en dat de overige verklaringen onvoldoende concreet waren om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen. Ook was de moeder na opname in het ziekenhuis langdurig bij de zus van appellant gaan wonen, wat het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding beëindigde.
De vordering van appellant wordt daarom afgewezen en de ontruimingsvordering van Lieven de Key toegewezen. Het hof veroordeelt appellant in de proceskosten en stelt de ontruimingsdatum op twee maanden na betekening van het arrest.
Uitkomst: Het hof bevestigt de afwijzing van de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wegens het ontbreken van een gemeenschappelijke huishouding.