ECLI:NL:GHAMS:2025:1774
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging betalingsvordering ex-echtgenoten
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij is veroordeeld tot betaling van een geldsom aan de man, haar ex-echtgenoot. Zij verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis op grond van artikel 351 Rv Pro, stellende dat zij niet over voldoende financiële middelen beschikt en dat verrekening met een vordering die zij op de man heeft, zou moeten plaatsvinden.
Het hof overweegt dat een veroordeling in beginsel uitvoerbaar bij voorraad is en dat de belangenafweging uitgaat van het belang van de veroordeelde versus het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen. De vrouw heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom haar belang zwaarder zou wegen en de vordering tot verrekening kan in dit incident niet worden beoordeeld.
Het hof concludeert dat het belang van de man bij directe tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij schorsing. Er is ook geen sprake van een kennelijke misslag in het bestreden vonnis. Daarom wordt het verzoek tot schorsing afgewezen. De hoofdzaak wordt verwezen voor het nemen van een memorie van grieven door de vrouw en verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.