Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin hij was veroordeeld voor het niet voldoen aan een gebiedsverbod en het beledigen van politieambtenaren. De zaak betrof drie afzonderlijke tenlasteleggingen: het overtreden van een gebiedsverbod in het centrum van Amsterdam, het beledigen van politieambtenaren tijdens hun rechtmatige uitoefening, en het niet voldoen aan een gebiedsverbod in het overlastgebied DOG 2.0.
Na onderzoek en behandeling van het hoger beroep sprak het hof verdachte vrij van de derde tenlastelegging omdat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat hij zich in het betreffende gebied bevond. Voor de eerste twee tenlasteleggingen werd verdachte wel schuldig bevonden. Het hof nam mee dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld en dat hij persoonlijke omstandigheden had, waaronder een drugsverslaving en lopende dagbesteding.
Gezien de ernst van de feiten, de minachting voor het openbaar gezag en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde het hof geen gevangenisstraf op maar een taakstraf van 80 uur. Tevens wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke hechtenis af. Hiermee werd het hoger beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en werd een passende straf opgelegd.