Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:1880

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
23-000775-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 359a SvArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis politierechter met vernietiging vordering tenuitvoerlegging

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter van 23 februari 2023 bevestigd, met uitzondering van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De zaak betreft diefstallen en inbraak gepleegd op 27 en 28 december 2022 in Amsterdam, waarbij onder meer een auto werd opengebroken en mobiele telefoons en een tas werden gestolen.

De bewijsmiddelen bestaan uit meerdere processen-verbaal van aangifte en bevindingen, waaronder verklaringen van aangeefsters en verbalisanten, die de betrokkenheid van de verdachte en een medeverdachte bij de diefstallen ondersteunen. De politie trof de verdachten aan bij een auto waarvan het raam werd opengebroken, met een gestolen telefoon zichtbaar in de broeksband.

De verdediging voerde aan dat het gebruik van een stroomstootwapen bij de aanhouding tot strafvermindering moest leiden, maar dit verweer werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier maanden, maar achtte dit niet reden voor strafvermindering. De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf werd vernietigd en afgewezen omdat de straf reeds was uitgevoerd.

Uitkomst: Vonnis politierechter bevestigd, vordering tenuitvoerlegging afgewezen wegens reeds uitgevoerde straf.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000775-23
datum uitspraak: 17 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 13-338419-22 en 01-332456-21 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland 1] ) op [geboortedag 1] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 juni en 17 juli 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van vordering tenuitvoerlegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat de bewijsmiddelen worden toegevoegd, de strafmotivering wordt aangevuld als na te melden en de toepasselijke wettelijke voorschriften worden aangevuld met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1
1. Een proces-verbaal van aangifte van 29 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina 12].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 december 2022 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
aangeefster [aangeefster 1]:
Op 27 december 2022 heeft mijn zoon de auto geparkeerd op de Prinsengracht te Amsterdam. Mijn zoon heeft de auto achtergelaten met de ramen gesloten. Omstreeks 23.00 uur ben ik nog langs mijn auto gelopen. Ik doet dit iedere avond omdat de auto een cabrio betreft met een linnen dak. Toen ik langs de auto liep zag ik dat de ramen gesloten waren. Op 28 december 2022 omstreeks 03.15 uur werd ik gebeld door de politie. De politie vertelde mij dat er in mijn auto was ingebroken. Ik heb samen met mijn zoon in de auto gekeken. Wij zagen dat er niets weg was. Ik zag dat het raam aan de bestuurderszijde en het raam aan de bijrijderszijde even ver open stonden.
Ten aanzien van feit 2
2. Een proces-verbaal van aangifte van 28 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 18-19].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 december 2022 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
aangeefster [aangeefster 2]:
Op 28 december 2022 om ongeveer 03:00 uur was ik in de [plek 1] gevestigd aan de [adres 1] . Ik had mijn mobiele telefoon, een Huawei Pro 10, in mijn achterzak van mijn broek zitten. Op enig moment ontstond er een beetje commotie achter mij. Er liepen 2 mannen langs mij naar de uitgang van de bar. Ik voelde aan mijn broekzak en merkte dat mijn telefoon niet meer in mijn achterzak zat.
Ik liep achter de 2 mannen aan naar buiten. Voor de bar sprak ik sprak NN2 (het hof begrijpt: één van de twee mannen) aan. Ik sprak hem aan in het Engels. Vervolgens ging hij over in de Franse taal.
De achtergrond van de telefoon is met bloemetjes.
Ten aanzien van feit 3
3. Een proces-verbaal van aangifte van 28 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina 15].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 december 2022 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
aangeefster [aangeefster 3]:
Op 28 december 2022 omstreeks 00.00 uur ben ik naar de [plek 2] gegaan. Deze bar bevind zich op de [adres 2] . Ik had een tas bij mij. In deze tas zat mijn portemonnee. In mijn portemonnee had ik mijn ABN AMBRO pas en OV chipkaart. Ik had mijn tas op de kapstok gehangen. Ik ging omstreeks 03.00 uur weer naar huis. Toen kwam ik er achter dat mijn tas weg was.
Ten aanzien van feit 1, 2 en 3
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 28 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 21-22].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Op 28 december 2022 omstreeks 03:17 uur bevonden wij ons op het Leidseplein te Amsterdam.
Aldaar was circa 10 minuten eerder een mobiele telefoon gestolen. Wij hoorden dat er een Huawei telefoon was weggenomen door twee personen die weg waren gelopen in de richting van de Weteringschans.
Omstreeks 03:18 uur hoorden wij portofonisch de melding van een mogelijke inbraak voertuig. Direct reden wij richting de opgegeven locatie alwaar wij binnen een (1) minuut ter plaatse kwamen.
Wij zagen vervolgens vanaf de Vijzelgracht een tweetal personen bij een geparkeerde Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken] staan. Wij zagen dat de alarmlichten van deze personenauto knipperden. De personen, de aangehouden verdachten, bleken later te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1994 te [geboorteplaats] ( [geboorteland 1] ) en [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1994 te [geboorteland 2] .
Wij zagen dat beiden aan de passagierszijde van het voertuig stonden. Wij zagen dat [medeverdachte] met beide handen aan de bijrijdersruit zat en deze met kracht naar beneden leek te schuiven. Wij zagen dat [verdachte] tegelijkertijd een van zijn armen door het deels geopende raam had gestoken.
Wij zagen dat [verdachte] werd gefouilleerd. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoorde de collega zeggen dat er een mobiele telefoon in de broeksband zat. Ik zag dat er een mobiele telefoon zichtbaar was. Wij zagen dat de mobiele telefoon een Huawei telefoon betrof. Wij zagen dat de achtergrond een afbeelding betrof van bloemen. Hierop hebben wij telefonisch contact opgenomen met de melder van de eerdere diefstal. Wij hoorden dat de aangetroffen telefoon daadwerkelijk de telefoon betrof van [aangeefster 2] .
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , nam vervolgens telefonisch contact op met de tenaamgestelde, [aangeefster 1] , van de Volkswagen Golf.
Nadat de verdachten waren overgebracht naar het cellencomplex Hoofdbureau zijn zij aan een insluitingsfouillering onderworpen. Wij hoorden dat er in een tas die [verdachte] met zich meedroeg meerdere goederen werden aangetroffen, waaronder een bankpas en OV-chipkaart op naam van [aangeefster 3] .

Oplegging van straf

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat het gebruik van een stroomstootwapen voor de aanhouding van de verdachte tot een lagere straf moet leiden. Voor zover de raadsvrouw daarmee een beroep heeft gedaan op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, overweegt het hof dat dit verweer niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld en het hof daarom niet is gehouden daarop te beslissen. Van de verdediging mag immers worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid genoemde factoren wordt aangegeven tot welk rechtsgevolg een vormverzuim moet leiden. Overigens is het hof van oordeel dat, ware het verweer juist gevoerd, het gebruik van een stroomstootwapen voor de aanhouding van de verdachte geen aanleiding geeft tot verlaging van de door de politierechter opgelegde straf.
Het hof stelt ambtshalve vast dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Namens de verdachte is op 9 maart 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 17 juli 2025 arrest. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier maanden. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf en de mate van overschrijding volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het aan deze overschrijding geen gevolgen.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte is het hof van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, omdat de straf al ten uitvoer is gelegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant van 2 januari 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2022, parketnummer 01-332456-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaren.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. H.A. van Eijk en mr. N. van der Wijngaart en, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
17 juli 2025.
=========================================================================
[…]