ECLI:NL:GHAMS:2025:1928

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
200.353.977
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 RvArt. 143 RvArt. 335 RvArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in vrijwaringszaak wegens ontbreken rechtsmiddel

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een verstekvonnis in een vrijwaringszaak, waarbij hij als gedaagde niet was verschenen. Het hof oordeelt dat op grond van artikel 335 Rv Pro in een verstekzaak niet het rechtsmiddel van hoger beroep, maar dat van verzet openstaat. Het beroep op artikel 140 Rv Pro om toch hoger beroep toe te laten, wordt verworpen omdat de vrijwaringszaak en de hoofdzaak afzonderlijke procedures betreffen met verschillende rechtsbetrekkingen.

Het hof concludeert dat appellant niet ontvankelijk is in het hoger beroep en veroordeelt hem in de proceskosten, die nihil worden begroot. De beslissing is genomen door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 15 juli 2025.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepasselijkheid van het juiste rechtsmiddel bij verstekvonnissen in vrijwaringszaken en bevestigt dat hoger beroep niet openstaat indien verzet mogelijk is.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het verstekvonnis in de vrijwaringszaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.353.977/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/356594 / HA ZA 24-510
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 juli 2025
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] , gemeente Leidschendam-Voorburg,
appellant,
advocaat: mr. E. El-Sharkawi te Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats 2] , gemeente Edam-Volendam,
geïntimeerde,
niet verschenen.

1.Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 17 april 2025 heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 januari 2025.
Appellant heeft de zaak aangebracht op de rol van 6 mei 2025.
Tegen geïntimeerde is op die roldatum verstek verleend.
Bij rolbeslissing van 6 mei 2025 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 20 mei 2025 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde - indien hij alsnog in het geding verschijnt - op een termijn van twee weken bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.
Appellant heeft zich op de rol van 20 mei 2025 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid. Geïntimeerde is niet alsnog verschenen.
Arrest is bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
Het bestreden vonnis is gewezen in de vrijwaringszaak tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde. Tegen appellant is in die zaak verstek verleend. Dit betekent dat voor appellant op grond van artikel 335 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet het rechtsmiddel van hoger beroep, maar dat van verzet (artikel 143 Rv Pro) heeft opengestaan.
2.2.
Appellant heeft bij akte aangevoerd dat in artikel 140 Rv Pro wordt bepaald dat, indien er meer gedaagden zijn en tenminste één van hen in het geding is verschenen, tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd waartegen hoger beroep openstaat. Dit betoog kan appellant niet baten. Het bestreden vonnis betreft de vrijwaringszaak met zaak- en rolnummer
C/15/356594 / HA ZA 24-510 en is enkel gewezen tussen geïntimeerde als eiser en appellant als (niet verschenen) gedaagde, zodat zich in de onderhavige zaak de situatie waarop artikel 140 Rv Pro ziet niet voordoet. De omstandigheid dat tegelijkertijd vonnis is gewezen in de hoofdzaak met zaak- en rolnummer C/15/351990 / HA ZA 24-246 tussen [naam] als eiser en geïntimeerde als verschenen gedaagde, leidt niet tot een ander oordeel. De hoofdzaak en de vrijwaringszaak zijn twee afzonderlijke en zelfstandige procedures.
Volgens appellant geldt de regeling van artikel 140 Rv Pro ingevolge lid 4 van dat artikel hier toch, omdat hij een derde is die op de voet van artikel 118 Rv Pro als partij in de procedure tussen Ebraheem en geïntimeerde is opgeroepen. Het hof volgt appellant hierin niet. De dagvaarding in vrijwaring van appellant is namelijk geen oproeping als partij in het geding als bedoeld in artikel 118 Rv Pro; door die dagvaarding is appellant dus geen partij in de hoofdzaak geworden. Daarbij komt dat het hoger beroep van appellant geen betrekking heeft op die hoofdzaak, maar op de vrijwaringszaak.
Anders dan appellant nog lijkt te betogen, doet zich hier ook overigens niet de situatie voor waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de regeling van artikel 140 Rv Pro daarop van overeenkomstige toepassing is om tegenstrijdige uitspraken ten aanzien van dezelfde rechtsbetrekking te voorkomen. De hoofdzaak en de vrijwaringszaak hebben immers niet dezelfde rechtsbetrekking tot onderwerp.
2.3.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat appellant niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Hij zal worden veroordeeld in de proceskosten, die op nihil worden begroot.

3.De beslissing

Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.