In deze zaak stond de vraag centraal of de ontruiming van een bedrijfsruimte binnen de termijn van het bodemvonnis kon plaatsvinden, ondanks het hoger beroep van de huurder tegen het vonnis tot ontruiming. De voorzieningenrechter had eerder de vordering van NS Stations tot ontruiming toegewezen vanwege een aanzienlijke huurachterstand en veroordeling tot betaling van een gebruiksvergoeding.
De huurder betoogde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat na het bodemvonnis geen betalingen meer waren gedaan en dat de afstemmingsregel was geschonden. Het hof oordeelde echter dat het niet voldoen aan de betalingsverplichtingen na het bodemvonnis een nieuwe omstandigheid betrof die niet door de bodemrechter was meegewogen. Hierdoor was het spoedeisend belang voor ontruiming aanwezig.
Het hof verwierp de grieven van de huurder en bevestigde het vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof overwoog dat een interpretatie waarbij de huurder gedurende negen maanden op kosten van NS Stations zou kunnen blijven zitten en de betalingsachterstand zou laten oplopen, onaannemelijk is. De ontruiming binnen veertien dagen werd dan ook vooruitgelopen in dit kort geding.
De huurder werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.