ECLI:NL:GHAMS:2025:1959

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
200.356.905
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontruiming bedrijfsruimte wegens niet-betaling gebruiksvergoeding na bodemvonnis

In deze zaak stond de vraag centraal of de ontruiming van een bedrijfsruimte binnen de termijn van het bodemvonnis kon plaatsvinden, ondanks het hoger beroep van de huurder tegen het vonnis tot ontruiming. De voorzieningenrechter had eerder de vordering van NS Stations tot ontruiming toegewezen vanwege een aanzienlijke huurachterstand en veroordeling tot betaling van een gebruiksvergoeding.

De huurder betoogde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat na het bodemvonnis geen betalingen meer waren gedaan en dat de afstemmingsregel was geschonden. Het hof oordeelde echter dat het niet voldoen aan de betalingsverplichtingen na het bodemvonnis een nieuwe omstandigheid betrof die niet door de bodemrechter was meegewogen. Hierdoor was het spoedeisend belang voor ontruiming aanwezig.

Het hof verwierp de grieven van de huurder en bevestigde het vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof overwoog dat een interpretatie waarbij de huurder gedurende negen maanden op kosten van NS Stations zou kunnen blijven zitten en de betalingsachterstand zou laten oplopen, onaannemelijk is. De ontruiming binnen veertien dagen werd dan ook vooruitgelopen in dit kort geding.

De huurder werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis tot ontruiming en wijst het hoger beroep van de huurder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer : 200.356.905/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/771162 / KG ZA 25-488
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2025
inzake

[appellant] ,

gevestigd te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. F.J. Ringnalda te Haarlem,
tegen

NS STATIONS B.V.,

gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.M. Heikens te Arnhem.
Partijen worden hierna [appellant] en NS Stations genoemd.
Tegenwoordig zijn:
mr. E.J. Bellaart - voorzitter
mr. L.A.J. Dun - raadsheer
mr. O.J. van Leeuwen - raadsheer
N.P. Rijna - griffier
mr. H.M.A. Nobel - griffier
Na het uitroepen van de zaak zijn verschenen:
aan de zijde van [appellant] :
  • [naam 1] (indirect DGA),
  • [naam 2] (bedrijfsleider), bijgestaan door mr. Ringnalda voornoemd,
aan de zijde van NS Stations:
- [naam 3] (bedrijfsjurist), bijgestaan door mr. Heikens voornoemd.
Bij vonnis van 14 juli 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank [plaats] , onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen NS Stations als eiseres en [appellant] als gedaagde, is de vordering van NS Stations tot ontruiming van het door [appellant] (voormalig) gehuurde toegewezen en is [appellant] in de proceskosten veroordeeld.
[appellant] is bij dagvaarding van 17 juli 2025 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis. De appeldagvaarding bevat de grieven. Op 18 juli 2025 heeft NS Stations een memorie van antwoord genomen met een productie.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van NS Stations alsnog zal afwijzen, met veroordeling van NS Stations in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.
NS Stations heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.
Tijdens de mondelinge behandeling op 21 juli 2025 hebben mrs. Ringnalda en Heikens voornoemd het woord gevoerd, mr. Ringnalda aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord. [appellant] heeft bij deze gelegenheid nog een productie in het geding gebracht.
Van het verhandelde op de zitting zijn zittingsaantekeningen gemaakt, die zo nodig in een apart proces-verbaal worden uitgewerkt.
Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergegeven.

De beoordeling

1. Het hof gaat uit van de door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 opgesomde feiten.
2. Het hof moet beoordelen of NS Stations een spoedeisend belang heeft en of in voldoende mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, zo het geschil aan hem wordt voorgelegd, tot toewijzing van de vordering tot ontruiming zal komen.
3. Het hof beantwoordt deze vragen bevestigend.
4. [appellant] voldoet niet aan de veroordelingen tot betaling aan NS Stations die haar – uitvoerbaar bij voorraad – zijn opgelegd in het bodemvonnis van 1 mei 2025 tussen partijen (zaaknummer 11334370 / CV EXPL 24-12595), waaronder de veroordeling tot betaling van € 38.230,00 per maand vanaf 1 april 2025 tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden. Omdat de ontruimingstermijn in het bodemvonnis op negen maanden na betekening van dat vonnis is gesteld, betekent dit dat de toch al forse huurachterstand elke maand met dit bedrag toeneemt. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven.
5. [appellant] heeft met grief 1 aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat sinds het bodemvonnis van 1 mei 2025 geen betaling meer heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter volgens de grieven 2 en 3 de afstemmingsregel geschonden, het niet-inlopen van de huurachterstand dan wel het niet-betalen van de gebruiksvergoeding ná het bodemvonnis ten onrechte als een nieuw feit gekwalificeerd en de bedoeling van de bodemrechter miskend. Grief 4 is gericht tegen de door de voorzieningenrechter gemaakte belangenafweging. Grief 5 is een veeggrief.
6. De grieven slagen niet. Het hof is het eens met de beslissing van de voorzieningenrechter en maakt die beslissing tot de zijne. Het hof licht dit als volgt toe.
7. Het hof zal in kort geding zijn uitspraak moeten afstemmen op het voornoemd reeds gegeven oordeel in de bodemprocedure. Dat in de bodemprocedure ‘bewust is gekozen voor een ontruimingstermijn van negen maanden, juist omdat het risico van niet-betalen ná het bodemvonnis reeds was voorzien en verdisconteerd’, zoals [appellant] in hoger beroep stelt, blijkt niet. De in de bodemprocedure uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming (inclusief ontruimingstermijn van negen maanden) zijn immers gegrond op de huurachterstand zoals die op dat moment bestond. Dat [appellant] die bestaande huurachterstand ná het bodemvonnis niet (direct) zou (kunnen) betalen was wellicht voorzienbaar, maar dit geldt niet voor de óók opgelegde veroordeling tot betaling van een gebruiksvergoeding. Het niet-voldoen aan deze (ten tijde van het wijzen van het bodemvonnis)
toekomstigebetalingsverplichting is een omstandigheid die de bodemrechter niet (kenbaar) heeft meegewogen. Het hof neemt – met de voorzieningenrechter – aan dat dit een zodanige wijziging van omstandigheden betreft dat, ingeval de bodemrechter daarvan wél op de hoogte zou zijn geweest, hij tot een andere beslissing was gekomen.
8. De uitleg van [appellant] zou er toe leiden dat [appellant] gedurende negen maanden op kosten van NS Stations haar bedrijfsvoering kan voortzetten, waarmee de betalingsachterstand steeds verder zou oplopen. Een dergelijke uitleg van het bodemvonnis is zo onaannemelijk dat het hof daarvan niet uitgaat.
9. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen nog het woord gevoerd over de financiële gevolgen van de verplaatsing van de toegangshekjes. Echter die discussie is in dit kort geding niet aan de orde.
10. De gevolgen voor [appellant] zijn groot en het hof heeft dat onder ogen gezien, maar gelet op het niet voldoen van de maandelijkse gebruiksvergoeding verwacht het hof dat ook in een bodemprocedure de ontruiming op een termijn van veertien dagen zal worden uitgesproken. In deze procedure in kort geding zal het hof daarop vooruitlopen.
11. Het hof bekrachtigt dus het bestreden vonnis.
12. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze kostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beslissing

Het hof:

I. bekrachtigt het bestreden vonnis;
II. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van NS Stations begroot op € 827,00 aan verschotten en
€ 2.428,00 (tarief € 1.214,00 x 2 punten) voor salaris advocaat;
III. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform artikel 29a lid 3 Rv is ondertekend door de voorzitter.
------------------------------
De voorzitter