Uitspraak
1.[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
[geïntimeerde 4],
[geïntimeerde 5],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele procedure stond de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. Vijf internationale studenten vorderden van de verhuurder een terugbetaling van betaalde 'housing fees'. Hoewel het totaalbedrag van alle vorderingen gezamenlijk €1.800 bedroeg, bedroeg de vordering van elke individuele huurder slechts €200 of €400.
De kantonrechter wees het totale bedrag van €1.800 toe aan de huurders gezamenlijk. De verhuurder stelde echter hoger beroep in tegen dit vonnis. Het hof oordeelde dat voor de appellabiliteit niet de gezamenlijke vordering, maar de afzonderlijke vorderingen van de huurders beslissend zijn. Aangezien elk van deze vorderingen onder de appelgrens van €1.750 bleef, was het hoger beroep niet ontvankelijk.
Het hof verwierp het betoog van de verhuurder dat proces- en nakosten mee zouden tellen voor de appelgrens. Tevens werd bevestigd dat het feit dat de kantonrechter het totaalbedrag toekende aan de huurders gezamenlijk niet leidt tot cumulatie van de vorderingen voor de beoordeling van de ontvankelijkheid.
De verhuurder werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van de appelgrens bij subjectieve cumulatie van vorderingen van meerdere eisers.
Uitkomst: De verhuurder is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep vanwege afzonderlijke vorderingen onder de appelgrens.