De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van het voorhanden hebben en vervoeren van harddrugs en witwassen. Tevens werd hem een betalingsverplichting opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft het hoger beroep behandeld en het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat het tot een ander bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel komt.
De ontnemingsvordering is gebaseerd op een kasopstelling die de periode van 14 juli 2016 tot 17 mei 2018 bestrijkt. Het hof heeft diverse posten in de kasopstelling beoordeeld, waaronder het beginsaldo, uitgaven voor levensonderhoud, inbouwkosten van verborgen ruimtes in voertuigen en de aanschafkosten van verdovende middelen. Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebruikt voor diverse uitgaven en stelt het voordeel vast op €139.546,30.
De verdediging voerde aan dat bepaalde posten niet meegenomen moesten worden, zoals de aanschafkosten van drugs en uitgaven voor levensonderhoud die door ouders werden gedragen. Het hof verwierp deze bezwaren grotendeels, met uitzondering van een vermindering van de kosten voor levensonderhoud met €4.000,00 en het in mindering brengen van het verbeurdverklaarde bedrag van €79.132,25.
Daarnaast is rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, waardoor de betalingsverplichting met €5.000,00 is gematigd. Uiteindelijk legt het hof de betrokkene een betalingsverplichting op van €55.414,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.