In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan over het hoger beroep van een vader die een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vordert. De rechtbank had het verzoek van de vader reeds afgewezen en het hof bevestigde dit oordeel. De vader wilde een gefaseerde omgangsregeling met videobellen, contactmomenten en weekendopvang, maar het hof oordeelde dat dit niet in het belang van het kind is.
De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd om de omgang onder begeleiding van hulpverlening langzaam op te bouwen, rekening houdend met de wensen en belastbaarheid van het kind. De vader stemde in met dit advies en wilde onder begeleiding contact leggen, terwijl de moeder zich zorgen maakte over de veiligheid en het welzijn van het kind vanwege bedreigingen en procedures tegen de vader in Turkije.
Het hof stelde vast dat het kind sinds 2019 door toedoen van de vader uit haar vertrouwde omgeving was gehaald en dat het contact in 2022 negatief verliep, waardoor het kind geen contact meer wenst. Het wantrouwen van de moeder jegens de vader is toegenomen en het hof vond dat het risico op nadelige gevolgen voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind te groot is. Daarom werd het verzoek tot omgang afgewezen en de eerdere beschikking bekrachtigd.
Het hof sprak tevens zorgen uit over de beperkte vrijheid van het kind en adviseerde professionele hulpverlening voor moeder en kind. In het incidenteel hoger beroep werd het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader in de proceskosten afgewezen, waarbij de kosten werden gecompenseerd.