ECLI:NL:GHAMS:2025:2885
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk bij klacht tegen gerechtsdeurwaarder wegens ontbreken doorbrekingsgrond
Klaagster heeft een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder en verzet aangetekend tegen de afwijzing van deze klacht door de kamer voor gerechtsdeurwaarders. De kamer verklaarde het verzet ongegrond. Klaagster stelde in hoger beroep dat de kamer onvoldoende rekening had gehouden met de beslagvrije voet en dat het bankbeslag onrechtmatig was. Tevens voerde zij aan dat de gerechtsdeurwaarder niet beschikte over de benodigde akte van cessie en dat er sprake was van schending van fundamentele rechten.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waarbij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Klaagster had geen dergelijke doorbrekingsgrond gesteld of onderbouwd.
Het hof concludeerde dat de aangevoerde bezwaren betrekking hadden op de inhoudelijke juistheid van de beslissing en niet op fundamentele schendingen van rechtsbeginselen. Er waren geen feiten of omstandigheden die een uitzondering op het rechtsmiddelenverbod rechtvaardigden.
Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de beslissing van de kamer. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep van klaagster is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een doorbrekingsgrond onder artikel 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet.