In deze civiele procedure ging het om een hoger beroep van appellant tegen een vonnis van de kantonrechter over de vaststelling van de afrekening stookkosten 2019 voor meerdere huurders. De kantonrechter had de vorderingen van de huurders toegewezen, maar appellant was het daarmee niet eens en ging in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat de vorderingen per huurder niet boven de appèlgrens van €1.750 uitkomen en dat de vorderingen van de verschillende huurders niet mogen worden opgeteld. Appellant had een akte ingediend met wijziging van eis en een onderbouwing dat het financiële belang wel boven de appèlgrens zou liggen, maar deze akte werd niet toegelaten vanwege strijd met de tweeconclusieregel.
Daarom werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de kosten van het geding. De proceskosten aan de zijde van de geïntimeerden werden begroot op €1.557. Het arrest werd gewezen door drie rechters en op 4 februari 2025 openbaar uitgesproken.