ECLI:NL:GHAMS:2025:2959

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
200.351.493/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurrecht van de echtelijke woning na echtscheiding

In deze zaak gaat het om het huurrecht van de echtelijke woning na de echtscheiding van partijen. De rechtbank Amsterdam heeft op 25 november 2024 de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de vrouw huurster van de woning zal zijn. De man is het hier niet mee eens en heeft op 21 februari 2025 hoger beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 17 september 2025 heeft de man verklaard dat zijn goederen onder bewind staan en dat hij toestemming heeft van zijn bewindvoerder om de procedure te voeren. De vrouw heeft op haar beurt een verweerschrift ingediend en stelt dat zij geen andere woonmogelijkheden heeft. Het hof heeft de belangen van beide partijen afgewogen. De man, die rolstoelgebonden is en medische hulp nodig heeft, claimt dat hij meer belang heeft bij de woning. De vrouw daarentegen heeft geen andere woonmogelijkheden en is afhankelijk van haar werk. Het hof concludeert dat de vrouw meer recht heeft op de woning, omdat de man een woning in Marokko bezit en de kans groot is dat hij een aangepaste woning toegewezen krijgt. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de echtscheiding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.351.493/01
zaaknummer rechtbank: C/13/748590 / FA RK 24-2119 (LH/SV)
beschikking van de meervoudige kamer van 4 november 2025 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Karami te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het huurrecht van de echtelijke woning aan het adres [A-straat] te [plaats A] (hierna te noemen: de woning).
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 25 november 2024 (hierna: de bestreden beschikking) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De man is het daar niet mee eens en vindt dat hij het huurrecht van de woning dient te verkrijgen. De vrouw is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man is op 21 februari 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 27 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Voorts heeft het hof ontvangen een bericht van de zijde van de vrouw van 16 september 2025, met een bijlage.
2.4
De zitting heeft op 17 september 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door S. Vajr, een tolk in de Marokkaans-Arabische taal.
2.5
De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zijn goederen onder bewind staan. Het hof heeft de man daarop in de gelegenheid gesteld een verklaring van de bewindvoerder aan het hof te doen toekomen waaruit zijn instemming met (het standpunt in) de procedure blijkt.
Op 24 september 2025 heeft het hof een emailbericht van mr. Schreinemacher ontvangen met als bijlage een brief van de bewindvoerder, mevrouw [naam] namens Zeker Financiële Zorgverlening, van 19 september 2025, inhoudende haar toestemming aan de man voor het voeren van deze procedure.
2.6
Op 8 oktober 2025 heeft het hof de advocaat van de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen een week te reageren op het bericht van de bewindvoerder van de man. Op 9 oktober 2025 heeft de advocaat van de vrouw het hof laten weten dat zij niet inhoudelijk zal reageren op het bericht van de bewindvoerder.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2016 te [plaats B] , Marokko.
De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse en de
Marokkaanse nationaliteit.
3.2
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 7 oktober 2024 is door de rechtbank bepaald dat de man het uitsluitend gebruik heeft van de woning en dat de vrouw de woning dient te verlaten.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken tussen partijen en is bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Beide partijen hadden het huurrecht van de echtelijke woning verzocht.
4.2
De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog te bepalen dat de man huurder zal zijn van de echtelijke woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4.3
De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht
5.1
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het huurrecht. Verder is tussen partijen niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Echtscheiding
5.2
Het hoger beroep van de man richt zich mede tegen de toewijzing van zijn eigen verzoek in eerste aanleg om de echtscheiding uit te spreken.
5.3
Volgens vaste rechtspraak strekt het hoger beroep mede ertoe de appellant de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Het rechtsmiddel van hoger beroep is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad echter niet bedoeld om aan een partij van wie het verzoek tot echtscheiding door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken omdat hij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien. Zowel de man als de vrouw hebben in eerste aanleg verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Dit verzoek heeft de rechtbank toegewezen op de door partijen gestelde grond dat er sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk. Dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen de echtscheiding om te voorkomen dat deze wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kan er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet toe leiden dat het hof de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de echtscheiding ongedaan maakt. Het hof verklaart de man om die reden niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de echtscheiding.
Huurrecht woning
Wettelijk kader
5.4
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 7:266 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de echtelijke huurwoning zal zijn. Daarbij moeten de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woning tegen elkaar worden afgewogen.
De standpunten
5.5
De man vindt dat het huurrecht van de echtelijke woning aan hem dient te worden toegewezen, omdat hij daar meer belang bij heeft dan de vrouw. De man is hulpbehoevend. Hij is rolstoelgebonden nu zijn beide voeten zijn geamputeerd. Daarnaast heeft de man een beperkte longfunctie en een nierziekte. Hij moet hiervoor drie keer per week naar het ziekenhuis voor een dialyse. De woning is grotendeels aangepast aan de rolstoel van de man, maar hij heeft altijd hulp nodig bij het binnenkomen van de woning vanwege de drempel bij de voordeur. Vanwege zijn medische toestand, komt op 23 september 2025 een ambtenaar van de gemeente bij de man langs voor een huisbezoek om te onderzoeken welk soort woning voor de man het meest passend is. Hij heeft voor een passende woning geen medische urgentie nodig, omdat de medische noodzaak voor het verkrijgen van een passende al bij voorbaat vast staat, aldus de man. Wel dient de man bij toewijzing van een voor hem passende woning, de huidige woning -naar het hof begrijpt leeg achter te laten. De man krijgt dagelijks hulp van zijn dochter – er is inmiddels een aanvraag gedaan bij de Wmo, zodat de dochter straks ook als pgb zorgverlener kan worden betaald voor haar diensten - maar hij kan niet bij haar wonen want zij woont in een jongerenwoning. De man kan ook niet bij zijn ouders of zijn andere kinderen terecht, want daar heeft hij geen contact meer mee. De man woont al 18 jaar in de woning en heeft altijd tijdig zijn huur betaald. De huidige huurachterstand is ontstaan vanwege oogproblemen van de man. De huurschuld wordt afbetaald door de bewindvoerder. De vrouw heeft minder belang bij de woning, omdat zij familieleden heeft waar zij terecht kan en een nieuwe partner waar zij nu mogelijk ook verblijft. Ook zou zij terug kunnen gaan naar Marokko, aldus de man.
5.6
De vrouw meent dat het huurrecht van de woning door de rechtbank terecht aan haar is toegekend. Destijds is de vrouw naar Nederland gekomen om te man te verzorgen, omdat hij niet alleen kan wonen. Nadat zij de woning moest verlaten heeft zij om en om bij vier verschillende collega’s verbleven. De vrouw heeft geen familie of kennissen waar zij voor langere tijd terecht kan, ook heeft zij geen partner, en zij krijgt geen urgentieverklaring. De vrouw heeft via Woningnet gereageerd op tientallen vrij gekomen sociale huurwoningen, maar dat is voor haar kansloos. De man krijgt op grond van zijn medische situatie hoogstwaarschijnlijk een aangepaste woning toegewezen. Bovendien is de man recent teruggekomen uit Marokko waar hij een eigen woning heeft en waar hij in de zomer langere tijd heeft doorgebracht. Anders dan de man stelt is het voor hem dus niet noodzakelijk om in Nederland in de buurt van het ziekenhuis te wonen waar hij dialyse behandelingen krijgt. Doordat de man in het verleden ook voor langere tijd naar Marokko is vertrokken zonder de vrouw op de hoogte te stellen van de huur die hij niet doorbetaalde, is een huurachterstand ontstaan. Deze huurschuld wordt voldaan door de vrouw, doordat beslag is gelegd op haar salaris, terwijl zij thans niet in de woning verblijft. De vrouw werkt op 10 minuten afstand van de woning. Zij heeft dus ook economische binding met de woning, aldus de vrouw.
Beoordeling door het hof
5.7
Het hof stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het verkrijgen van het huurrecht van de woning. Ten aanzien van beiden is niet gebleken dat zij bij familieleden terecht kunnen. Vaststaat dat de vrouw (voorlopig) niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning en ook staat voor het hof vast dat de man hulpbehoevend is en rolstoelgebonden. Eveneens is voor het hof vast komen te staan dat de woning niet is aangepast aan de aanzienlijke lichamelijke beperkingen van de man. Zonder hulp van derden kan de man de woning van buitenaf niet betreden vanwege de drempel bij de voordeur.
Het hof is na een afweging van de belangen van partijen van oordeel dat het belang van de vrouw bij toedeling van het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de man daarbij. Doorslaggevend is de overtuiging die het hof ter zitting in hoger beroep heeft gekregen dat de kans zeer aanzienlijk is dat de man een andere, op zijn medische en lichamelijk situatie aangepaste woning toegewezen zal krijgen door de gemeente. Deze kans heeft de vrouw niet.
Bij de weging van de belangen van partijen heeft het hof voorts betrokken dat de man een woning bezit in Marokko. De man heeft niet weersproken dat hij daar met enige regelmaat verblijft, onder andere voor familiebezoek en vakantie. Dat de man een appartement in eigendom heeft, geeft hem naar het oordeel van het hof meer (financiële) armslag dan de vrouw, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de kans van de man op het vinden van vervangende woonruimte – als de toewijzing van de aangepaste woning toch niet door zal gaan - groter is dan die van de vrouw. Bovendien kan de man ervoor kiezen (tijdelijk) in Marokko te verblijven. Dat de man, zoals hij in eerste aanleg heeft gesteld en ter zitting in hoger beroep heeft herhaald, daartoe fysiek nu niet meer in staat zou zijn, is niet gebleken temeer nu de man kort voor de zitting bij het hof is teruggekeerd uit Marokko na, zoals hij zelf heeft aangegeven, een vakantieverblijf van vier weken. Het hof zal op grond van het voorafgaande de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover daarbij het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw is toegekend.
5.8
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de in de bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. J.M van Baardewijk en mr S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 4 november 2025 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.