ECLI:NL:GHAMS:2025:2992
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aanvangsmoment schuldsaneringsregeling en toepassing artikel 349a Fw
In hoger beroep is de vaststelling van het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank aan de orde gesteld. De rechtbank had dit moment bepaald op de datum van het vonnis, 11 september 2025, maar appellant betoogde dat dit eerder moest zijn, namelijk 30 oktober 2024, de dag waarop hij zich tot zijn advocaat wendde.
Het hof heeft overwogen dat het aanvangsmoment op grond van artikel 349a lid 1 Fw ook kan worden bepaald op het moment van de eerste aflossing tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening, of het moment waarop vaststaat dat geen aflossingscapaciteit bestaat. Uit de door de bewindvoerder overgelegde berekeningen blijkt dat appellant vanaf 30 oktober 2024 geen aflossingscapaciteit had, met uitzondering van januari en april 2025.
De bewindvoerder stelde dat vanwege een eerdere niet te goeder trouw periode een eerdere aanvangsdatum dan 23 maart 2025 niet mogelijk was, maar het hof verwierp dit en benadrukte dat de goeder trouw-toets niet geldt bij de bepaling van het alternatieve aanvangsmoment. Het hof stelde het aanvangsmoment vast op 30 december 2024 en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het aanvangsmoment betreft.
Uitkomst: Het aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling wordt vastgesteld op 30 december 2024 in plaats van 11 september 2025.