ECLI:NL:GHAMS:2025:3046
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over tijdigheid van verzet tegen verstekarrest en verzettermijn
Opposant kwam in verzet tegen een verstekarrest van het gerechtshof, waarbij de vraag centraal stond of het verzet tijdig was ingesteld. Opposant stelde dat de verzettermijn pas begon bij het leggen van derdenbeslag en dat hij niet wist dat verzet binnen vier weken moest worden ingesteld met een dagvaarding. Geopposeerde betwistte dit en stelde dat het verstekarrest op 26 februari 2025 aan opposant was betekend.
Het hof stelde vast dat de deurwaarder op 26 februari 2025 het exploot met de grosse van het verstekarrest aan opposant had betekend, wat dwingend bewijs is. Opposant leverde onvoldoende tegenbewijs. Daarnaast werd een e-mail van opposant van 10 maart 2025 als daad van bekendheid aangemerkt, waaruit bleek dat hij op die datum bekend was met het verstekarrest en zich tijdig had kunnen verzetten.
De verzettermijn van vier weken was daarmee op 26 maart 2025 verstreken zonder dat opposant tijdig verzet had ingesteld. Ook indien de termijn pas op 10 maart 2025 zou zijn begonnen, was het verzet te laat. Het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding faalde omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.
Het hof verklaarde opposant niet ontvankelijk in zijn verzet en veroordeelde hem in de proceskosten van de verzetprocedure. De beslissing werd op 11 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Opposant is niet ontvankelijk verklaard in zijn verzet wegens overschrijding van de verzettermijn.