De zaak betreft een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats, schoolinschrijving en zorg- en vakantieregeling van hun minderjarige kind, geboren in 2021. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats bij de vader vastgesteld en een zorgregeling bepaald waarbij het kind meerdere dagen per week reist tussen beide ouders. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en verzocht onder meer om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en het kind in te schrijven op een andere school.
Het hof overweegt dat het kind tot augustus 2024 op verschillende locaties heeft gewoond en dat beide ouders zorg hebben gedragen. De moeder heeft na de beëindiging van de relatie niet altijd medewerking verleend aan contact tussen vader en kind, wat leidde tot een kort geding. De huidige situatie biedt stabiliteit en voorspelbaarheid voor het kind, dat goed is ingeburgerd bij de vader en op school in diens woonplaats.
Het hof bekrachtigt de hoofdverblijfplaats bij de vader en wijst het verzoek van de moeder tot schoolinschrijving af. De zorgregeling wordt eveneens bekrachtigd, maar de zomervakantieregeling wordt gewijzigd: in 2026 wordt de vakantie verdeeld in kortere periodes om het kind niet te lang zonder een van de ouders te laten. Vanaf 2027 geldt weer een aaneengesloten verblijf van drie weken per ouder. Het hof benadrukt het belang van samenwerking tussen ouders en roept op tot passende zorgafspraken in het belang van het kind.