ECLI:NL:GHAMS:2025:3127

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
23-003344-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 10 lid 4 OpiumwetArt. 10 lid 5 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voorbereiden en bevorderen invoer cocaïne met taakstraf en gevangenisstraf

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit van het voorbereiden en bevorderen van de invoer van cocaïne op Schiphol op 9 september 2021. Primair werd hij vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

Het hof oordeelde dat de verdachte zich tegen vergoeding naar Schiphol begaf om een drugskoerier te ontmoeten en de cocaïne verder het land in te begeleiden. De invoer van circa 10 kilo cocaïne werd tijdig verijdeld door de Koninklijke Marechaussee.

De strafmaat werd bepaald op 3 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 150 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof hield rekening met het reclasseringsadvies dat wees op een stabiele levensstijl en het belang van behoud van werk, huisvesting en contact met kinderen.

De redelijke termijn in hoger beroep werd overschreden met bijna twee jaar, wat mede aanleiding gaf tot de voorwaardelijke straf. De verdachte erkende zijn schuld en toonde berouw. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 150 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-003344-21
Datum uitspraak: 5 november 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 december 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-242722-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
22 oktober 2025.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij, op of omstreeks 9 september 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
subsidiair
hij, op of omstreeks 9 september 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen, een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden(en) had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)
- telefonisch [medeverdachte] (die op 9 september 2021 opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht) instructies en/of aanwijzingen gegeven en/of contact mee heeft onderhouderhouden en/of
- zich (tegen een vergoeding) op 9 september 2021 naar de luchthaven Schiphol begeven met als doel om die [medeverdachte] te ontmoeten en/of hem en/of de cocaïne te vervoeren en/of die cocaïne over te nemen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Gelet op de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman behoeft dit oordeel geen nadere motivering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 september 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,
zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte
- zich tegen een vergoeding op 9 september 2021 naar de luchthaven Schiphol begeven met als doel om die [medeverdachte] te ontmoeten en hem en/of de cocaïne te vervoeren.
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander daartoe gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte (naast de gevorderde gevangenisstraf die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht) een geheel voorwaardelijke (taak)straf op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen invloed heeft gehad op of kennis had van de hoeveelheid cocaïne die door de koerier is ingevoerd. De verdachte heeft éénmaal een misstap begaan en is na dit feit niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Hij is direct na zijn detentie weer aan het werk gegaan en richt zich nu op zijn gezin. Hij werkt aan het herstel van de relatie met zijn partner en zijn moeder.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij de handelingen die subsidiair ten laste zijn gelegd heeft verricht. Hij heeft verklaard dat hij de periode in detentie als zwaar heeft ervaren en dat hij nog steeds gebukt gaat onder de gevolgen van zijn misstap. Hij woont en werkt nu in het [plaats] , ver weg van Amsterdam. Hij zal een eventuele taakstraf kunnen combineren met zijn werk in loondienst en de zorg voor zijn dochters.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft de invoer van 10 kilo cocaïne voorbereid en/of bevorderd, door, na contact met zijn medeplegers, op Schiphol een drugskoerier op te wachten, met de bedoeling deze koerier en de cocaïne verder het land in te begeleiden. De verdachte zou daarvoor een vergoeding ontvangen. Enkel door het ingrijpen van de Koninklijke Marechaussee is de voltooiing van dit transport tijdig verijdeld.
Internationale drugstransporten en de voorbereiding daarvan vormen ernstige misdrijven. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit en vormt aldus een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor eigen financiële gewin en heeft zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen.
Het hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 9 oktober 2025, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte over een legaal inkomen uit arbeid beschikt, een eigen huurwoning heeft en betrokken is bij de zorg voor zijn kinderen. Hij heeft inzicht in zijn eigen situatie en er is sprake van een steunend sociaal netwerk. In het advies wordt geconcludeerd dat de verdachte overwegend beschikt over beschermende factoren die bijdragen aan een stabiele en pro sociale levensstijl. Detentie zou een negatieve impact kunnen hebben op de huidige stabiliteit en het toekomstperspectief. Het advies van de reclassering is om bij het bepalen van een passende strafmodaliteit rekening te houden met het behoud van werk, huisvesting en het contact met de kinderen.
Het hof ziet in dit advies van de reclassering, in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en in de proceshouding van de verdachte in hoger beroep, aanleiding de verdachte, naast een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die in voorarrest is doorgebracht, een andere straf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van het voorarrest en een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, passend en geboden is.
Het hof heeft echter ook acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden. Op 16 december 2021 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 5 november 2025. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met een jaar en 11 maanden. Het hof ziet daarin aanleiding om van de taakstraf van 150 uren, 50 uren in voorwaardelijke vorm op te leggen, met een proeftijd van 2 jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. H.A. Stalenhoef en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 november 2025.
Mr. Boksem en mr. Scheffens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.