Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
[bedrijf 1]en
[bedrijf 2]
a) Schuldeiser op 14 april 2014 een bedrag van € 20.000 ter leen heeft verstrekt aan
a) Schuldnemer in staat van faillissement wordt verklaard (...);
"De aflossing van € 80.000 is conform je verzoek verwerkt in de administratie 2019 van [bedrijf 1] . Grootste deel is gebruikt om het saldo nog te betalen rente á € 78.532 af te lossen. Restant á € 1.468 is in mindering gebracht op het saldo van de lening zelf."
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling van het hof
(behoudens eenmalig, waarover hierna meer), anders dan dat voor hen beiden duidelijk was dat het ging om leningen die bedoeld waren om [appellant] te helpen bij het starten van haar ondernemingen. Partijen hebben hierbij ook geen onderscheid gemaakt tussen de beide vennootschappen. Uit de stukken en uit hetgeen partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard leidt het hof af dat de redenen voor [geïntimeerde] om het geld te verstrekken vooral was gelegen in zijn affectieve relatie met [appellant] en de wens om zijn partner te helpen bij haar ambities en dat het niet primair ging om een zakelijke investering in haar bedrijf. Zij hebben (telkens) geen aandacht gehad voor de vraag althans niet jegens elkaar uitgesproken, terwijl beiden jurist zijn, of de gelden werden geleend door [appellant] in privé om ze te gebruiken ten behoeve van haar onderneming, of door haar als dga van en namens haar onderneming.
vervolgenswelke wederzijdse rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen toen zij de leningsovereenkomsten sloten. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De aldus door uitleg vastgestelde rechten en verplichtingen vormen het vertrekpunt bij de kwalificatie van de door partijen opgenomen verplichtingen, zoals hier de borgtocht dan wel de hoofdelijke verplichting tot terugbetaling van [appellant] , (zie o.a. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 rov. 3.2.3 en 3.2.4 en HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167 rov. 3.1.2)
in privébereid is om die leningen af te lossen als zij daartoe in staat is
(“die krijg je als het kan, dat weet je”). Zij wilde hiervoor niet bij haar vader aankloppen of verplicht zijn de leningen terug te betalen als haar vader is overleden. [geïntimeerde] wilde over de afbetaling afspraken maken. Partijen zijn er toen niet uitgekomen.
“als het een keer kan”en dat is afgesproken een niet samengesteld rentepercentage van 4% over de lening, daarbij verwijzend naar de overeenkomst van 16 april 2014. Zij voert voorts aan dat in de whatsappgesprekken waarin zij spreekt over “ik” (over de afbetalingen van de leningen) zij zo spreekt als enig eigenaar van het bedrijf. [geïntimeerde] weerspreekt dat [appellant] alleen heeft gesproken voor of namens één van haar vennootschappen, maar dat zij ook voor zichzelf sprak (als borg dan wel als hoofdelijk schuldenaar, zo verstaat het hof) als het ging om de aflossing van de leningen.
“aflossing lening aankoop boomstraat 69 deel 1 v 2”en
“aflossing lening deel 2 v 2”.[appellant] heeft hiervoor als verklaring gegeven dat zij deze aflossingen voor haar vennootschappen heeft gedaan en dat deze aflossingen ook in de administratie van het bedrijf zijn verwerkt. Met deze aflossingen van de leningen vanaf haar privérekening heeft [appellant] minst genomen bij [geïntimeerde] de indruk en het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij zich als medeschuldenaar verantwoordelijk voelde voor de aflossing van de leningen aan haar vennootschappen. Dat de aflossingen van de leningen in de boeken van de vennootschappen zijn verwerkt staat daar los van, ook omdat [geïntimeerde] steeds – onbestreden – heeft aangevoerd dat hij geen wetenschap had (en heeft) van de boekhouding van de vennootschappen van [appellant] . Daar komt bij dat toen partijen eind 2020-begin 2021 met elkaar in onderhandeling waren over de financiële gevolgen van de beëindiging van hun affectieve relatie, [appellant] minst genomen de indruk en verwachting heeft gewekt dat zij in privé ook tot aflossing van de leningen wilde overgaan, maar dan wel onder de voorwaarde dat zij zelf dat moment zou kunnen kiezen. Verder telt mee dat [appellant] als jurist had kunnen (en moeten) weten dat als de aflossingen van de leningen namens de vennootschappen werden gedaan, zij daarvan eenvoudigweg melding had kunnen (en moeten) maken bij de bankoverschrijving vanaf haar privérekening.
alde geleende bedragen een rentevergoeding van 4%
per jaaris afgesproken. Hij draagt hiervan de stelplicht en bewijslast. [appellant] heeft dat rentepercentage op zich niet gemotiveerd betwist maar zich in eerste aanleg beroepen op verjaring op de voet van artikel 3:307 lid 1 BW Pro (bedoeld zal zijn artikel 3:308 lid 1 BW Pro, toev. hof). [geïntimeerde] heeft zich daartegen verweerd door zich te beroepen op de afspraak dat de leningen niet opeisbaar waren en de verjaring dus nog niet ging lopen en dat [appellant] zich altijd bewust is geweest van het lopen van de rente nu zij dat in de jaarstukken 2019 heeft verwerkt (erkenning van de verjaring in artikel 3:318 BW Pro). Voorts stelt [geïntimeerde] dat het niet redelijk zou zijn dat de rente per juni 2020 (einde relatie) zou gaan lopen.
.Tot slot ziet het hof, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ook overigens geen gronden om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [appellant] zich beroept op de wettelijke regels van verjaring. [geïntimeerde] heeft daaraan ook onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Grief 3 van [appellant] slaagt.
.Grief 3 van [geïntimeerde] slaagt daarom deels.