ECLI:NL:GHAMS:2025:3225

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
200.330.700
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:308 BWArt. 6:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor leningen verstrekt tijdens affectieve relatie en verjaring rente

Partijen hadden een affectieve relatie van 2006 tot 2020 en tijdens die periode verstrekte geïntimeerde meerdere leningen aan de vennootschappen van appellant. Er was onduidelijkheid over de vraag of appellant persoonlijk aansprakelijk was voor terugbetaling of slechts als borg fungeerde. De rechtbank had eerder geoordeeld dat appellant borg was en stelde het openstaande bedrag op €173.000 met 2% rente vanaf 2010.

In hoger beroep oordeelde het hof anders: appellant heeft door betalingen vanuit haar privévermogen en communicatie de indruk gewekt dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk achtte. Hierdoor is zij naast haar vennootschappen hoofdelijk schuldenaar. Het hof stelde het openstaande bedrag bij tot €148.000, omdat een betaling van €25.000 onvoldoende als lening was onderbouwd.

Verder oordeelde het hof dat de rente van 4% enkelvoudig is en alleen verschuldigd vanaf 17 november 2017, omdat eerdere rentevorderingen verjaard zijn. De leningen zijn aflossingsvrij en opeisbaar zodra appellant over voldoende financiële middelen beschikt. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde partijen over en weer deels in het ongelijk, waarbij ieder zijn eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: Appellant is hoofdelijk aansprakelijk voor €148.000 aan leningen met 4% rente vanaf 17 november 2017, aflossing vereist bij voldoende financiële middelen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.330.700/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/725973/HA ZA 22-972
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer 2 december 2025
in de zaak van
[appellant]
wonende te [plaats 1] ,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. H. Versluis te Almelo,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 1] ,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellant,
advocaat: mr. M.W.J. Ariëns te Haarlem.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad vanaf 2006 tot 2020. Tijdens die relatie heeft [appellant] twee vennootschappen opgericht waarvan zij directeur en enig aandeelhouder is. [geïntimeerde] heeft in de periode 2010-2014 ten behoeve van het bedrijf van [appellant] een aantal geldleningen verstrekt waarvan [appellant] een gedeelte heeft afgelost. Er is één schriftelijke overeenkomst van geldlening uit 2014 door partijen ondertekend. Nadat partijen uit elkaar zijn gegaan hebben zij onderhandeld over de terugbetaling van de geldleningen. Partijen waren (en zijn) het met name oneens over de vraag of [appellant] ook uit haar privévermogen de leningen zou moeten terugbetalen, over de hoogte daarvan, het rentepercentage en onder welke omstandigheden [appellant] de leningen kan/moet terugbetalen. Zij hebben dit geschilpunt in het kader van de financiële ontvlechting van hun affectieve relatie niet kunnen oplossen en [geïntimeerde] is daarom de onderhavige procedure gestart.
1.2
De rechtbank heeft in het vonnis van 7 juni 2023 onder meer een verklaring voor recht gegeven dat [appellant] als borg verantwoordelijk is voor de aan haar vennootschappen verstrekte leningen, dat het bedrag dat aan leningen openstaat € 173.000 bedraagt, en dat de rentevergoeding 2% bedraagt vanaf 1 januari 2010 waarover geen rente op rente zal worden berekend.
1.3
Het hof oordeelt op onderdelen anders dan de rechtbank en partijen krijgen over en weer (on)gelijk. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[appellant] is bij dagvaarding van 28 juli 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 juni 2023 van de rechtbank Amsterdam , onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld en zijn eis gewijzigd.
2.2
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord en memorie van grieven in incidenteel appel, met productie 8;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie 4;
- aanvullende productie 9 namens [geïntimeerde] .
2.3
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 8 mei 2025 door hun advocaten, aan de hand van pleitaantekeningen, laten toelichten.
2.4
Ten slotte is arrest gevraagd.
2.5
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De rechtbank heeft onder 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden de feiten vastgesteld. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde] en [appellant] hebben van 2006 tot medio 2020 een affectieve relatie met elkaar
gehad. Zij hebben met elkaar twee kinderen.
3.2.
[appellant] heeft tijdens hun relatie twee vennootschappen opgericht waarvan zij enig
bestuurder en enig aandeelhouder is:
[bedrijf 1]en
[bedrijf 2]
.
3.3.
[geïntimeerde] heeft tijdens de relatie, in 2010, 2012, 2013 en 2014 een aantal geldleningen verstrekt door bedragen over te maken naar één van de vennootschappen (meestal de Holding) van [appellant] .
3.4.
Op 16 april 2014 hebben [geïntimeerde] en de vennootschap van [appellant] een schriftelijke
overeenkomst van geldlening gesloten waarin zij, voor zover relevant, het volgende zijn
overeengekomen:
"OVEREENKOMST VAN GELDLENING
De ondergetekenden:
I.[bedrijf 1]., (...) hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door [ [appellant] , toev. hof],
hierna te noemen: "Schuldnemer",
en
2. [[geïntimeerde] , toev. hof], (...) hierna te noemen: "Schuldeiser"
(...)
In aanmerking nemende dat:
a.
a) Schuldeiser op 14 april 2014 een bedrag van € 20.000 ter leen heeft verstrekt aan
Schuldnemer, ter zake hiervan Schuldnemer een schuld heeft aan Schuldeiser en Schuldeiser
een vordering heeft op Schuldnemer ter grootte van € 20.000;
(...)
Artikel 2 Aflossing Pro
2.1
De Lening is in beginsel aflossingsvrij. Partijen kunnen echter op een later gelegen
tijdstip overeenkomen de Lening af te lossen.
2.2
Gehele of gedeeltelijke vervroegde aflossing door Schuldnemer is te allen tijde
toegestaan (...)
Artikel 3 Rente Pro
3.1
Schuldnemer is aan Schuldeiser over het nog niet afgeloste deel van de Lening een rente
van 4% (zegge: vier procent) op jaarbasis verschuldigd. (...) Partijen kunnen de thans
overeengekomen rentevoet steeds in onderling overleg wijzigen.
(...)
Artikel 5 Opeisbaar Pro
Schuldeiser heeft het recht om enig uitstaand bedrag van de Lening tussentijds en
onmiddellijk op te eisen (...) indien:
a.
a) Schuldnemer in staat van faillissement wordt verklaard (...);
b) Schuldnemer ophoudt te bestaan wegens fusie, splitsing of liquidatie;
c) Schuldnemer surseance van betaling aanvraagt;
d) Schuldnemer haar deelneming in [bedrijf 1] . vervreemdt;
e) Schuldnemer na een termijn van veertien (14) dagen na ingebrekestelling enige
verplichting op grond van de Geldleningsovereenkomst niet nakomt."
3.5.
Op 2 april 2015 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 25.000 overgemaakt naar de vennootschap van [appellant] onder vermelding van ‘Factoring’.
3.6
In maart 2018 heeft [appellant] vanaf haar privérekening in totaal € 80.000 afgelost. De accountant van [appellant] heeft later in een e-mail (van 12 januari 2023) aan [appellant] onder meer geschreven:
"De aflossing van € 80.000 is conform je verzoek verwerkt in de administratie 2019 van [bedrijf 1] . Grootste deel is gebruikt om het saldo nog te betalen rente á € 78.532 af te lossen. Restant á € 1.468 is in mindering gebracht op het saldo van de lening zelf."
3.7
Partijen zijn medio 2020 uit elkaar gegaan. In het kader van de financiële afwikkeling van hun relatie hebben zij in de maanden september-oktober en december 2020 en daarna in de maand april 2021 via whatsapp en e-mail gecorrespondeerd over de aflossing van de leningen.

4.Eerste aanleg

4.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank bij vonnis
voor recht verklaart dat:
( a) [appellant] alleen dan wel mede met [bedrijf 1] .
en/of [bedrijf 1] , naar keuze van [appellant] , als
hoofdelijk schuldenaar of borg, verantwoordelijk is voor de door haar
aangegane leningen van [geïntimeerde] die hij haar in de jaren 2010 tot en met
2015 heeft verstrekt;
( b) het bedrag dat aan leningen openstaat per 1 januari 2021 EUR 173.000
bedraagt;
( c) de overeengekomen rentevergoeding 4% bedraagt die bij gehele of
gedeeltelijke aflossing voor een bedrag tot EUR 100.000 verschuldigd zal
zijn vanaf 1 januari 2010 en van het resterende bedrag vanaf 1 januari
2013 en er geen rente op rente zal worden berekend;
( d) voor wat betreft de aflossing van het openstaande bedrag aan leningen,
er tussen partijen is afgesproken dat indien [appellant] daartoe in de
gelegenheid is zij deze leningen geheel of in gedeelten zal aflossen,
waarbij tussen partijen in ieder geval is gesproken over de volgende
momenten waarop dit het geval zou kunnen zijn:
- bij het verkrijgen van een erfenis door [appellant] ;
- bij de verkoop van een of meer van de onderneming(en) van [appellant]
; en
- bij een verkoop van de nieuwe woning van [appellant] aan [straat]
te [plaats 1] ;
( e) partijen het moment van geheel of gedeeltelijke aflossing in elk geval
zullen evalueren aan de hand van de belastingaangifte van [appellant] en
dat van haar holding- en werk maatschappijen van haar ondernemingen.
4.2.
De rechtbank heeft de navolgende beslissingen gegeven:
- verklaart voor recht dat [appellant] als borg verantwoordelijk is voor de door [bedrijf 1]
. en [bedrijf 1] aangegane leningen van [geïntimeerde] die hij in de jaren 2010 tot en met 2015 heeft verstrekt, zodra [appellant] over
voldoende financiële middelen beschikt;
- verklaart voor recht dat het bedrag dat aan leningen openstaat per 1 januari 2021
€ 173.000,00 bedraagt;
- verklaart voor recht dat de overeengekomen rentevergoeding 2% bedraagt vanaf
1 januari 2010 en er geen rente op rente zal worden berekend;
- compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen
kosten draagt;
- wijst het anders of meer gevorderde af.

5.Beoordeling van het hof

De onderwerpen van het geschil in hoger beroep
5.1
Beide partijen hebben grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis, die elkaar deels overlappen. Het gaat om de uitleg van de overeenkomsten van geldlening en de vraag of [appellant] als hoofdelijk schuldenaar is gehouden de geldleningen af te lossen dan wel of [appellant] als borg is te beschouwen, wat de hoogte is van het terug te betalen bedrag, welke rente is verschuldigd over die leningen en wanneer de leningen moeten worden terugbetaald. Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.
Wat zijn partijen overeengekomen?
5.2
Het debat tussen partijen spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of [appellant] in eigen naam of als vertegenwoordiger van haar vennootschappen is opgetreden bij het aangaan van de overeenkomsten en de uitleg van de overeenkomsten van geldlening. Het hof merkt hierbij eerst nog het volgende op. Bij de gelegenheden dat [geïntimeerde] de gelden verstrekte, hebben partijen feitelijk daarover niets afgesproken of vastgelegd
(behoudens eenmalig, waarover hierna meer), anders dan dat voor hen beiden duidelijk was dat het ging om leningen die bedoeld waren om [appellant] te helpen bij het starten van haar ondernemingen. Partijen hebben hierbij ook geen onderscheid gemaakt tussen de beide vennootschappen. Uit de stukken en uit hetgeen partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard leidt het hof af dat de redenen voor [geïntimeerde] om het geld te verstrekken vooral was gelegen in zijn affectieve relatie met [appellant] en de wens om zijn partner te helpen bij haar ambities en dat het niet primair ging om een zakelijke investering in haar bedrijf. Zij hebben (telkens) geen aandacht gehad voor de vraag althans niet jegens elkaar uitgesproken, terwijl beiden jurist zijn, of de gelden werden geleend door [appellant] in privé om ze te gebruiken ten behoeve van haar onderneming, of door haar als dga van en namens haar onderneming.
5.3
[geïntimeerde] stelt dat [appellant] in ieder geval gehouden is om, hetzij als hoofdelijk schuldenaar naast haar bedrijf, hetzij als borg voor haar vennootschappen die de leningen hebben ontvangen, de leningen met rente terug te betalen. Volgens [geïntimeerde] zijn er bij het verstrekken van de eerste leningen in 2010 geen specifieke afspraken gemaakt over de terugbetaling daarvan en de betaling van de overeengekomen rentevergoeding. Wel hebben partijen toen in het algemeen afgesproken dat in goed overleg de afbetaling zou plaatsvinden, in ieder geval als [appellant] op enig moment over voldoende financiële middelen zou beschikken, aldus [geïntimeerde] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling.
5.4
[appellant] weerspreekt dat haar in privé geldleningen zijn verstrekt, omdat de geldleningen zijn verstrekt aan haar bedrijf. In de schriftelijke overeenkomst van 16 april 2014 staat duidelijk opgenomen dat het bedrijf de schuldenaar is. Zij heeft zich niet hoofdelijk verbonden en zij is ook geen borg. [appellant] betwist niet dat de geldleningen een keer terugbetaald dienen te worden aan [geïntimeerde] ; de termijn van terugbetaling hebben partijen open gelaten. Er zou (kunnen) worden afgelost ‘op een later met elkaar overeen te komen tijdstip’ en ‘wanneer dat kan’.
5.5
Het antwoord op de vraag of hier [appellant] in eigen naam of als vertegenwoordiger van haar vennootschappen heeft gehandeld bij het aangaan van de overeenkomsten van geldlenig moet gegeven worden aan de hand van de Kribbebijter-maatstaf (zie o.a. HR 11 maart 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, Kribbebijter en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2217, Unisphere). Op grond van deze maatstaf is voor de vraag of iemand in eigen naam – dan wel, toegespitst op het onderhavige geval: in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van een vennootschap − is opgetreden bepalend wat partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.
De vraag is
vervolgenswelke wederzijdse rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen toen zij de leningsovereenkomsten sloten. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De aldus door uitleg vastgestelde rechten en verplichtingen vormen het vertrekpunt bij de kwalificatie van de door partijen opgenomen verplichtingen, zoals hier de borgtocht dan wel de hoofdelijke verplichting tot terugbetaling van [appellant] , (zie o.a. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 rov. 3.2.3 en 3.2.4 en HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167 rov. 3.1.2)
5.6
In het onderhavige geval is sprake van een bijzonderheid: partijen hebben in de tijd dat zij een affectieve relatie hadden ook zakelijke banden met elkaar gekregen doordat [geïntimeerde] geldsommen uitleende om [appellant] te helpen met het starten van haar eigen ondernemingen. Er zijn geen schriftelijke overeenkomsten opgemaakt van de verstrekte leningen in 2010, 2012 en 2013. Pas in 2014 is er één schriftelijke overeenkomst opgesteld. Volgens de verklaring van [appellant] op de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft haar accountant hierop aangedrongen toen zij met de jaarcijfers bezig waren, omdat er geen schriftelijke overeenkomsten waren. De leningen moesten immers in de boekhouding van de vennootschappen worden opgenomen. [appellant] heeft toen met de accountant de overeenkomst opgesteld. De overeenkomst is op de keukentafel gelegd die partijen toen ondertekend hebben. [geïntimeerde] heeft dit op de mondelinge behandeling ook bevestigd.
5.7
Begrijpt het hof de gang van zaken tussen partijen goed, dan hebben zij in feite niet gesproken over de voorwaarden waaronder en aan wie de geldleningen werden verstrekt, ook niet ter gelegenheid van de schriftelijke vastlegging van de lening op 6 april 2014. Deze diffuse situatie heeft bestaan totdat partijen uit elkaar gingen en zij afspraken wilden maken over de afbetaling van de geldleningen. Duidelijk is wel geworden dat [geïntimeerde] de geldleningen heeft verstrekt aan [appellant] met een zakelijk doel, namelijk om de start en bedrijfsvoering van haar ondernemingen te financieren. Bij de overschrijvingen naar één van de vennootschappen van [appellant] heeft [geïntimeerde] , behoudens de verderop (zie 5.15) te bespreken uitzondering, steeds vermeld dat het om leningen ging.
5.8
De overeenkomst van geldlening is en was vormvrij. De geldleningen zijn in 2010 (ad € 100.000 en € 40.000), 2012 (ad € 8.000) en 2013 (ad € 50.000) tot stand gekomen door overmaking van de gelden door [geïntimeerde] op de bankrekening van één van de vennootschappen (meestal de Holding) van [appellant] . Er zijn toen geen afspraken gemaakt over de termijn van terugbetaling of over een bepaalde rentevergoeding. Alleen bij de overschrijving van 19 maart 2013 staat vermeld “lening 4% rente”. Bij het verstrekken van de geldlening in 2014 (ad € 20.000) hebben partijen hierover wel afspraken gemaakt en die neergelegd in de schriftelijke overeenkomst van 16 april 2014. Hierin is vastgelegd dat de lening aflossingsvrij is en dat een rentepercentage geldt van 4% op jaarbasis. Wat betreft de opeisbaarheid van de leningen (zie hiervoor onder 3.4) zien de voorwaarden onder a), b) en c) op situaties die het bedrijf van [appellant] betreffen, de situatie onder d) lijkt meer specifiek te zien op [appellant] als dga van haar onderneming en de situatie onder e) is algemeen geformuleerd. Als schuldnemer is benoemd de vennootschap van [appellant] . Met partijen gaat het hof ervan uit dat zij voor alle geldleningen dezelfde voorwaarden zijn overeengekomen.
Is [appellant] als hoofdelijk schuldenaar of als borg te beschouwen?
5.9
Nadat de affectieve relatie van partijen medio 2020 tot een einde kwam hebben zij onder meer gesproken over de terugbetaling van de leningen in whatsapp en e-mails (naast andere onderwerpen die met de scheiding verband hielden). Uit die correspondentie leidt het hof af dat [appellant]
in privébereid is om die leningen af te lossen als zij daartoe in staat is
(“die krijg je als het kan, dat weet je”). Zij wilde hiervoor niet bij haar vader aankloppen of verplicht zijn de leningen terug te betalen als haar vader is overleden. [geïntimeerde] wilde over de afbetaling afspraken maken. Partijen zijn er toen niet uitgekomen.
5.1
In rechte heeft [appellant] ten verwere aangevoerd dat (enkel) met haar vennootschappen de leningen zijn aangegaan, dat over de terugbetaling geen afspraken zijn gemaakt, behalve in de sfeer van
“als het een keer kan”en dat is afgesproken een niet samengesteld rentepercentage van 4% over de lening, daarbij verwijzend naar de overeenkomst van 16 april 2014. Zij voert voorts aan dat in de whatsappgesprekken waarin zij spreekt over “ik” (over de afbetalingen van de leningen) zij zo spreekt als enig eigenaar van het bedrijf. [geïntimeerde] weerspreekt dat [appellant] alleen heeft gesproken voor of namens één van haar vennootschappen, maar dat zij ook voor zichzelf sprak (als borg dan wel als hoofdelijk schuldenaar, zo verstaat het hof) als het ging om de aflossing van de leningen.
5.11
De geleende geldsommen zijn alle overgemaakt op de bankrekening van één van de vennootschappen van [appellant] . Vast staat dat bij het verstrekken van de leningen niet gesproken is over de juridische positie van [appellant] als borg of als hoofdelijk schuldenaar. Op enig moment, op 13 en 14 maart 2018, heeft [appellant] vanaf haar eigen bankrekening een bedrag van € 50.000 en € 30.000 naar de bankrekening van [geïntimeerde] overgemaakt onder de vermelding van
“aflossing lening aankoop boomstraat 69 deel 1 v 2”en
“aflossing lening deel 2 v 2”.[appellant] heeft hiervoor als verklaring gegeven dat zij deze aflossingen voor haar vennootschappen heeft gedaan en dat deze aflossingen ook in de administratie van het bedrijf zijn verwerkt. Met deze aflossingen van de leningen vanaf haar privérekening heeft [appellant] minst genomen bij [geïntimeerde] de indruk en het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij zich als medeschuldenaar verantwoordelijk voelde voor de aflossing van de leningen aan haar vennootschappen. Dat de aflossingen van de leningen in de boeken van de vennootschappen zijn verwerkt staat daar los van, ook omdat [geïntimeerde] steeds – onbestreden – heeft aangevoerd dat hij geen wetenschap had (en heeft) van de boekhouding van de vennootschappen van [appellant] . Daar komt bij dat toen partijen eind 2020-begin 2021 met elkaar in onderhandeling waren over de financiële gevolgen van de beëindiging van hun affectieve relatie, [appellant] minst genomen de indruk en verwachting heeft gewekt dat zij in privé ook tot aflossing van de leningen wilde overgaan, maar dan wel onder de voorwaarde dat zij zelf dat moment zou kunnen kiezen. Verder telt mee dat [appellant] als jurist had kunnen (en moeten) weten dat als de aflossingen van de leningen namens de vennootschappen werden gedaan, zij daarvan eenvoudigweg melding had kunnen (en moeten) maken bij de bankoverschrijving vanaf haar privérekening.
5.12
Gezien de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden concludeert het hof dat [appellant] naar [geïntimeerde] toe het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij zich als dga ook in privé naast haar bedrijf gehouden achtte tot aflossing van de leningen over te gaan. Partijen hebben bij het verstrekken van de gelden en ook daarna tijdens hun relatie geen onderscheid gemaakt tussen [appellant] in privé en haar vennootschappen. Partijen zijn er kennelijk steeds vanuit gegaan en blijven gaan dat het geld op enig moment, afhankelijk van de financiële mogelijkheden, hetzij door één van haar vennootschappen, hetzij door [appellant] in privé zou moeten worden terugbetaald aan [geïntimeerde] . Genoegzaam is komen vast te staan dat de onderneming van [appellant] , waarin zij al jarenlang geen werkzaamheden meer verricht, niet in staat zal zijn om de leningen af te lossen. De afbetaling van de schuld in privé die [appellant] in het verleden heeft gedaan beschouwt het hof als een rechtshandeling van [appellant] waaruit geconcludeerd kan worden dat zij zich hoofdelijk heeft verbonden, naast haar bedrijf, tot aflossing van de leningen, ook bezien in de context van haar uitingen eind 2020-begin 2021 in whatsapp en e-mails dat zij tot aflossing van de leningen zou overgaan als zij daartoe in staat zou zijn. Dat betekent dat grief 1 van [geïntimeerde] slaagt.
5.13
Nu het hof heeft vastgesteld en geoordeeld dat [appellant] als hoofdelijk schuldenaar naast haar vennootschappen gehouden is tot afbetaling van de geldleningen, behoeft de vraag of sprake is van een borgtocht en grief 1 van [appellant] en in het verlengde daarvan grief 4 geen bespreking meer.
De omvang van het openstaande bedrag van de leningen
5.14
[geïntimeerde] stelt dat het openstaand bedrag aan geldleningen € 173.000 bedraagt. Daarvan draagt hij de bewijslast. Volgens [appellant] bedraagt het openstaand bedrag € 25.000 minder, waardoor het openstaand bedrag op € 148.000 komt.
5.15
Op 2 april 2015 heeft [geïntimeerde] € 25.000 overgemaakt naar de bankrekening van één van de vennootschappen van [appellant] onder vermelding van “Factoring”. Volgens [geïntimeerde] werd deze omschrijving als geheugensteuntje vermeld omdat het ging om een oninbare vordering van een debiteurenpost van de onderneming van [appellant] . Dit heeft [appellant] betwist.
5.16
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] zijn stelling dat het bedrag van € 25.000 ook een geldlening betrof onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde] is ook jurist en van hem had mogen verwacht dat hij de titel voor de overmaking (ook) als lening zou kwalificeren, wat hij niet heeft gedaan. Dat betekent dat dit bedrag niet als lening heeft te gelden en dat het totaalbedrag van de leningen € 148.000 bedraagt. Grief 2 van [appellant] slaagt.
De verjaring van de renteverplichting en de hoogte van de rente
5.17
[geïntimeerde] heeft gesteld dat er over
alde geleende bedragen een rentevergoeding van 4%
per jaaris afgesproken. Hij draagt hiervan de stelplicht en bewijslast. [appellant] heeft dat rentepercentage op zich niet gemotiveerd betwist maar zich in eerste aanleg beroepen op verjaring op de voet van artikel 3:307 lid 1 BW Pro (bedoeld zal zijn artikel 3:308 lid 1 BW Pro, toev. hof). [geïntimeerde] heeft zich daartegen verweerd door zich te beroepen op de afspraak dat de leningen niet opeisbaar waren en de verjaring dus nog niet ging lopen en dat [appellant] zich altijd bewust is geweest van het lopen van de rente nu zij dat in de jaarstukken 2019 heeft verwerkt (erkenning van de verjaring in artikel 3:318 BW Pro). Voorts stelt [geïntimeerde] dat het niet redelijk zou zijn dat de rente per juni 2020 (einde relatie) zou gaan lopen.
5.18
De verjaring van rente op geldsommen is geregeld in artikel 3:308 BW Pro en bedraagt vijf jaren. Ratio van deze korte termijn is de schuldenaar bescherming te bieden tegen een te sterk oplopen van het door hem verschuldigde bedrag, doordat de schuldeiser de termijnen niet opvordert. Hoofdregel is dat periodieke vorderingen door het verstrijken van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vorderingen, dat zijn hier de rentevorderingen, (telkens) opeisbaar zijn geworden, verjaren. In de onderhavige zaak gaan partijen ervan uit dat al de leningen in beginsel aflossingsvrij zijn en dat daarover een rente van 4% per jaar geldt. Vast staat dat [geïntimeerde] voor het einde van de relatie nimmer aanspraak heeft gemaakt op betaling van de rente. De vraag is of in die situatie geldt dat desondanks de rente wél zou blijven doorlopen, vanaf de datum van de verstrekking van de leningen die niet opeisbaar zijn, zoals [geïntimeerde] aanvoert. Als het antwoord bevestigend zou luiden, dan zou dat betekenen dat de hoofdsommen met de doorlopende (jaarlijkse) rentevorderingen flink zouden oplopen, zonder opeising of stuitingshandeling en dat strookt niet met de ratio van de korte verjaringstermijn van artikel 3:308 BW Pro.
5.19
[geïntimeerde] heeft in de inleidende dagvaarding van 17 november 2022 terugbetaling van de leningen en de rente daarover gevorderd. [appellant] heeft zich in eerste aanleg erop beroepen dat de rentevordering van [geïntimeerde] inmiddels (deels) verjaard is voor “dat deel dat ouder is dan 5 jaar gerekend tot de datum van de dagvaarding”. Uit hetgeen het hof heeft overwogen over de (ratio van het) verjaringstermijn van artikel 3:308 BW Pro volgt dat het verjaringsverweer van [appellant] slaagt. Dat betekent dat [appellant] over het niet afgeloste deel van de leningen uitsluitend rente verschuldigd is over de periode na 17 november 2017 omdat alle eerder verschenen rentes inmiddels zijn verjaard. Het feit dat de accountant van [appellant] in de jaarrekening van 2019 de aflossing van € 80.000 eerst heeft afgeboekt op de lopende rente en daarna op de aflossing van de hoofdsom, is naar het oordeel van het hof niet van (doorslaggevend) belang nu daaraan ook fiscale motieven ten grondslag kunnen liggen. Bovendien is deze administratieve handeling als erkenning van stuiting van een lopende verjaring niet kenbaar gemaakt aan [geïntimeerde] .
De omstandigheid dat partijen in het najaar/winter 2020-2021 ook hebben onderhandeld over de terugbetaling van de leningen, als onderdeel van de financiële afwikkeling van hun relatie (naast een regeling met betrekking tot de kinderen) leidt niet tot een andere uitkomst. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3866, rov 3.3.2 en 3.4) kwalificeert het enkele voeren van onderhandelingen niet als deugdelijke stuiting van een verjaring en is het voeren van onderhandelingen ook geen reden om een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te oordelen
.Tot slot ziet het hof, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ook overigens geen gronden om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [appellant] zich beroept op de wettelijke regels van verjaring. [geïntimeerde] heeft daaraan ook onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Grief 3 van [appellant] slaagt.
5.2
In hoger beroep heeft [geïntimeerde] een rentevergoeding van 4% per jaar gevorderd die, anders dan zijn vordering in eerste aanleg, niet ‘enkelvoudig’ is. In het kader van de onderhandelingen van partijen zijn diverse voorstellen over en weer gedaan, doch die hebben niet geleid tot overeenstemming over de hoogte van de rente en de afbetaling van de geldleningen. Het rentepercentage van 4% is benoemd in de overschrijving van 19 maart 2013 en in de overeenkomst van 16 april 2014. In de overeenkomst van 2014 staat dat “over het nog niet afgeloste deel van de Lening” (= hoofdsom) een rente van 4% op jaarbasis is verschuldigd. Het hof legt deze bepaling zo uit dat er uitsluitend rente over de hoofdsom is overeengekomen en dat geen rente op rente verschuldigd is (enkelvoudige rente)
.Grief 3 van [geïntimeerde] slaagt daarom deels.
Opeisbaarheid en moment van terugbetaling van de leningen
5.21
[geïntimeerde] heeft de uitstaande leningen opgeëist en [appellant] heeft erkend dat haar vennootschap ook gehouden is tot aflossing van de leningen. Verschil van mening bestaat er over de vraag op welk moment de leningen moeten worden terugbetaald. [geïntimeerde] heeft daarvoor in incidenteel hoger beroep een verklaring voor recht gevorderd (primair onder xi) in welke situaties dat rechtens kan. Hij verwijst daarvoor ook naar de onderhandelingen die partijen hebben gevoerd die neergelegd zijn in de whatsapp en e-mail correspondentie. Naar het oordeel van het hof, mede gelet op de context en toonzetting van de correspondentie waarop [geïntimeerde] zich beroept, heeft [appellant] die situaties slechts genoemd als voorbeeld van gebeurtenissen die haar mogelijk financieel in staat zullen stellen in privé de leningen terug te betalen (zoals het verkrijgen van een erfenis, de verkoop van haar onderneming of onroerend goed). Het hof leest daarin niet een onvoorwaardelijke toezegging dat bij de genoemde gebeurtenissen de leningen hoe dan ook opeisbaar worden, ongeacht de financiële mogelijkheden van [appellant] .
Het hof heeft al geoordeeld dat [appellant] naast de vennootschappen hoofdelijk is verbonden tot terugbetaling van de geldleningen. Uit dien hoofde kan zij worden aangesproken tot terugbetaling van de geldleningen. De redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar hebben te betrachten (als bedoeld in artikel 6:2 BW Pro) leidt er in dit geding niet toe [appellant] rechtens te verplichten om in de door [geïntimeerde] genoemde situaties hoe dan ook tot aflossing van de leningen over te gaan, al mag van [appellant] wel worden verwacht dat zij overgaat tot aflossing als zij beschikt of zou kunnen beschikken over voldoende financiële middelen. De redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW Pro geldt ook voor [geïntimeerde] zodat het hof ervan uitgaat dat [geïntimeerde] pas tot opeising van de geldleningen over gaat als [appellant] over voldoende financiële middelen beschikt of zou kunnen beschikken. Partijen hebben immers ook nog zorg te dragen voor de opvoeding van hun minderjarige kinderen waarbij zakelijke conflicten niet gewenst zijn.
De gevorderde verklaringen voor recht onder xi en xii van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen. Grief 2 van [geïntimeerde] slaagt niet.
Bewijs
5.22
De bewijsaanbiedingen van partijen bevatten geen stellingen die indien bewezen tot een ander oordeel van het hof kunnen leiden en ontberen in zoverre relevantie.
Conclusie
5.23
De grieven van beide partijen slagen deels. Dat betekent dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.
5.24
Gezien de gewijzigde eis van [geïntimeerde] leidt dit tot de volgende beslissingen die onder 6. zijn opgenomen.
5.25
Beide partijen zijn over en weer in het (on)gelijk gesteld en zijn gewezen partners van elkaar. Daarom zal het hof de proceskosten tussen partijen, ook in eerste aanleg, compenseren. In zoverre faalt grief 4 van [geïntimeerde] .

6.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel appel:
6.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2023 met eerder vermeld zaaknummer, behoudens de beslissing onder 5.4 (compensatie proceskosten)
en opnieuw rechtdoende:
6.2
verklaart voor recht dat [appellant] als hoofdelijk schuldenaar jegens [geïntimeerde] verantwoordelijk is voor de leningen die [geïntimeerde] in de jaren 2010 tot en met 2014 aan [bedrijf 1] . en/of [bedrijf 1] heeft verstrekt;
6.3
verklaart voor recht dat het bedrag aan openstaande leningen per 1 januari 2021 € 148.000 bedraagt;
6.4
verklaart voor recht dat de overeengekomen rentevergoeding 4% per jaar bedraagt te rekenen vanaf 17 november 2017 en dat geen rente op rente verschuldigd is;
6.5
verklaart voor recht dat [appellant] tot gehele of gedeeltelijke aflossing van de lening en de betaling van de renteverplichtingen gehouden is zodra [appellant] over voldoende financiële middelen beschikt;
6.6
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten van het hoger beroep dragen;
6.7
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van den Berg, R.A. Dozy en M. Bijkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.