ECLI:NL:GHAMS:2025:3258

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
200.345.741
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 7:900 BWArt. 613 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over WIA-excedentverzekering en finale kwijting in vaststellingsovereenkomst

Deze zaak betreft een geschil over de hoogte van de WIA-excedentuitkering van appellant, die door toedoen van geïntimeerde te laag zou zijn vastgesteld. De kantonrechter wees de vordering af vanwege een finale kwijtingsbeding in een vaststellingsovereenkomst tussen partijen.

Het hof oordeelt dat het finale kwijtingsbeding niet ziet op de vordering over de WIA-excedentverzekering omdat deze niet expliciet in de onderhandelingen is besproken en niet in de overeenkomst is opgenomen. Verder stelt het hof vast dat geïntimeerde onvolledige loongegevens aan de verzekeraar ASR heeft verstrekt, wat wanprestatie oplevert.

De zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure om de omvang van de schade vast te stellen. Het hof bekrachtigt het vonnis voor het overige en compenseert de proceskosten in hoger beroep. De vordering tot vernietiging van het maximale verzekerd loon wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor zover de vordering is afgewezen en verwijst de zaak naar schadestaatprocedure voor schadevaststelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.345.741/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10598592 CV EXPL 23-9620
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 december 2025
inzake
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] , North Carolina (VS),
appellant,
advocaten: mr. R. Gerretsen en mr. E. Weijer te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S. van Waegeningh te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een WIA-excedentverzekering die geïntimeerde voor appellant heeft afgesloten. Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn WIA-excedentuitkering door toedoen van geïntimeerde te laag is vastgesteld, waardoor hij schade lijdt die geïntimeerde moet vergoeden. De kantonrechter heeft de vordering van appellant afgewezen, omdat deze onder het finale kwijtingsbeding in de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst valt. Het hof oordeelt dat het finale kwijtingsbeding niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat, maar dat er wel een maximum verzekerd loon ten behoeve van de WIA-excedentverzekering geldt. De zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure voor het vaststellen van de omvang van de schade.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 22 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 7 juni 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- de brief van [appellant] van 5 maart 2025 met producties U tot en met AM
- de brief van [appellant] van 12 maart 2025 met productie AN
- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis met producties AN tot en met BA
- de memorie van antwoord tevens antwoord wijziging van eis met producties
- de brief van [geïntimeerde] van 2 oktober 2025 met productie 17
- de brief van [appellant] van 2 oktober 2025 met productie BB
- de brief van [appellant] van 7 oktober 2025 met productie BC.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 15 oktober 2025 laten toelichten. [appellant] door mr. E. Weijer voornoemd en [geïntimeerde] door mr. S. van Waegeningh voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – opnieuw rechtdoende:
a. artikel 9 van Pro de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst zal vernietigen, althans in plaats van de vernietiging uit te spreken de overeenkomst zodanig aan te passen dat het (dwalings)nadeel voor [appellant] daardoor wordt opgeheven, althans voor recht te verklaren dat een beroep van [geïntimeerde] op voornoemd artikel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid;
b. [geïntimeerde] zal veroordelen tot vergoeding van de schade van [appellant] , op te maken bij staat;
c. voor recht zal verklaren dat tussen partijen was afgesproken dat het volledige loon verzekerd zou worden en dat tussen hen geen maximum van € 240.000,- gold;
d. [geïntimeerde] zal veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van beide instanties, althans in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep,
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in 1.1 tot en met 1.16 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft met grieven II en II betoogd dat deze feiten onjuist dan wel onvolledig zijn. Voor zover de grieven terecht zijn aangevoerd, zal het hof bij de hierna te noemen feiten hiermee rekening houden. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant] , geboren op [datum] , is per 6 januari 2014 als statutair bestuurder in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) de [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).
3.2.
Per 1 januari 2019 is [appellant] tijdelijk uitgezonden naar de Verenigde Staten (hierna: VS). De arbeidsvoorwaardelijke afspraken over deze uitzending zijn vastgelegd in een Assignment Letter.
3.3.
In artikel 5.4 van de Assignment Letter staat: “
With respect to the disability insurance, the Company will maintain the home country disability insurance. The existing coverage will be increased to include the host country. (…). The extent of the cover is determined by the insurance which is taken out. In no circumstances can the Company be held liable for claim, damages etc. which are not (fully) covered by this insurance”.
3.4.
Nadat [bedrijf] op 25 april 2019 failliet is verklaard, heeft [appellant] op 11 juni 2019 een arbeidsovereenkomst gesloten met [geïntimeerde] . Daarin is onder meer overeengekomen dat [appellant] voor een bepaalde periode is uitgezonden naar [geïntimeerde] ., dat partijen de arbeidsovereenkomst voort wensen te zetten onder gelijke arbeidsvoorwaarden en, in artikel 12 van Pro de overeenkomst, dat [appellant] deelneemt aan het door [geïntimeerde] en voor rekening van [geïntimeerde] afgesloten arbeidsongeschiktheidspensioen (hierna: AOP) en dat wijzigingen in de AOP doorwerken in de arbeidsovereenkomst.
3.5.
[geïntimeerde] heeft voor [appellant] een WIA-excedentverzekering bij ASR afgesloten. In artikel 1.12 van de Algemene voorwaarden Moduleverzekering Arbeidsongeschiktheid Collectief model staat het verzekerd loon als volgt omschreven: “
Het (parttime) jaarloon per verzekerde is het jaarloon dat werkgever aan de belastingdienst opgeeft voor de rubriek ‘Loon voor de werknemersverzekeringen’(…). Welk maximum van toepassing is, kunt u vinden op het polisblad.”
3.6.
In de Polis Moduleverzekering Arbeidsongeschiktheid Collectief staat dat het verzekerd bedrag 70% van het verzekerd loon van de medewerker min 70% van het (gemaximeerde) WIA-loon is en dat het maximum verzekerd loon € 240.000,- per medewerker is.
3.7.
Per 2 september 2019 is [appellant] volledig arbeidsongeschikt geraakt door een progressieve oogziekte. Bij besluit van 7 oktober 2020 heeft UWV [appellant] met ingang van 3 november 2020 (vervroegd) een IVA-uitkering toegekend. In het toekenningsbesluit staat een sv-loon vermeld van € 193.952,80.
3.8.
In een e-mail van 19 mei 2021 heeft [appellant] contact met [geïntimeerde] opgenomen over de berekening van zijn WIA-excedentuitkering, omdat ASR volgens [appellant] mogelijk alleen is uitgegaan van het Nederlandse salaris en ten onrechte het ‘US deel salaris’ niet heeft meegenomen. In deze e-mail heeft [appellant] ook geschreven dat hij weet dat de WIA-excedentverzekering gemaximeerd is.
3.9.
In een e-mail van 8 juni 2021 van VCL & partners (de verzekeringstussenpersoon, hierna: VLC) aan [geïntimeerde] staat onder meer:
“(…) Op basis van de salarisstroken heeft ASR de casus beoordeeld. Ze gaan uit van de loonstrook 2018 met een 4 wekelijks salaris van € 12.422,88 als ze dat vermenigvuldigen met 13 periodes + 8 % vakantietoeslag dan komen ze uit op € 174.417. Dat salaris was destijds ook bij hen bekend. De loonstroken van 2019 zijn dus niet meegenomen. Hier worden de inhoudingen voor de excedent verzekering ook alleen gedaan over het Nederlandse loon. We hebben hier dus geen sterke casus. (…)”.
3.10.
Bij e-mail van 11 juni 2021 heeft ASR [geïntimeerde] via VLC laten weten twee oplossingsrichtingen te zien voor het geconstateerde probleem met de WIA-uitkering van [appellant] . ASR keert uit op basis van het haar bekende loon van € 174.417,- of ASR keert uit op basis van het door UWV berekende loon van € 193.952,80, met betaling door [geïntimeerde] van een aanvullende koopsom. [geïntimeerde] heeft op 15 juni 2021 aan VLC laten weten dat zij kiest voor laatstgenoemde optie.
3.11.
In dezelfde periode waren partijen, bijgestaan door advocaten, in onderhandeling over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [appellant] vanwege zijn langdurige arbeidsongeschiktheid. Dit heeft geresulteerd in een op 23 augustus 2021 gesloten vaststellingsovereenkomst, waarin onder meer het volgende is afgesproken:
“(…)De huidige arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] eindigt met ingang van 2 september 2021 met wederzijds goedvinden. (…). In het kader van de beëindiging wordt een vergoeding aan [appellant] uitgekeerd van in totaal 233.188 US dollar bruto. (…).
[geïntimeerde] . en [appellant] sluiten met ingang van 2 september 2021 een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 jaar met een omvang van 0,2 fte (bijlage). De inhoud van de functie van [appellant] blijft daarin ongewijzigd (…). [appellant] maakt hierbij aanspraak op een jaarsalaris van 36.147,28 US dollar bruto.
(…)
Partijen verklaren dat zij na voldoening aan bovenstaande verplichtingen niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de arbeidsovereenkomst(en) en verlenen elkaar finale kwijting.(…)’
3.12.
Bij e-mail van 8 juli 2021 heeft de (toenmalige) advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:
“(…) De VSO is akkoord. (…). Resteert de kwestie van ASR (opgave inkomen). Die staat los van de afspraken die we nu maken (…) maar het moet nog wel worden opgelost en – zonodig – rechtgezet. Het is op dit moment nog niet duidelijk of daar de juiste informatie terecht is gekomen die van belang is voor de hoogte van de uitkering.”
3.13.
In een e-mail van 9 juli 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] bevestigd dat ASR uitgaat van € 193.952,80 als uitgangspunt voor de uitkeringen.
3.14.
Bij e-mail van 15 september 2021 heeft [appellant] aan ASR geschreven: “
Dank voor uw brief maar bevat nog steeds de verkeerde bedragen (…). In onderstaande email staat het juiste verzekerde bedrag a 193.952,80.”
3.15.
In een e-mail van 20 september 2022 heeft [appellant] aan ASR geschreven: “
Nu mijn arbeidsongeschiktheid (uitkering) is ingetreden ben ik op zoek naar de (aangeleverde) onderbouwing van mijn uitkering. Deze heb ik nooit ontvangen (…)”. ASR heeft [appellant] in reactie daarop laten weten dat de uitkering is gebaseerd op het salaris van € 193.952,80 dat [geïntimeerde] in het ASR-portaal heeft ingevoerd.

4.Eerste aanleg

4.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van (I) € 1.073.745,00 bruto bij wijze van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, (II) € 21.667,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, ter vergoeding van de kosten voor juridische bijstand en (III) de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met – uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] tot betaling van € 21.927,15 aan advocaatkosten, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente, althans tot betaling van de kosten van dit geding, waaronder begrepen de advocaatkosten, de buitengerechtelijke kosten en de nakosten.
4.3.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat de algehele kwijtingsbepaling in de vaststellingsovereenkomst ook ziet op de aanspraken op grond van de ten behoeve van [appellant] afgesloten WIA-excedentverzekering, die immers is afgesloten uit hoofde van de verplichtingen van [geïntimeerde] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Er is door of namens [appellant] geen voorbehoud gemaakt op grond waarvan de aanspraken op grond van de WIA-excedentverzekering niet onder de kwijtingsbepaling in de vaststellingsovereenkomst vallen. Er moet verder vanuit worden gegaan dat de in het kader van de vaststellingsovereenkomst aan [appellant] uitgekeerde bedragen ook werden betaald ter compensatie van het feit dat de WIA/IVA uitkering en de WIA-excedentuitkering gebaseerd op het jaarloon van € 193.952,80 bij elkaar opgeteld minder waren dan het eerder door [appellant] bij [geïntimeerde] verdiende salaris. Volgens de kantonrechter kan er niet vanuit worden gegaan dat [geïntimeerde] een mededelingsplicht heeft geschonden die zodanig is dat het aan [appellant] tegenwerpen van de kwijtingsbepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De over en weer gevorderde advocaatkosten heeft de kantonrechter afgewezen. Tot slot heeft de kantonrechter de proceskosten gecompenseerd, vanwege het feit dat [appellant] volledig arbeidsongeschikt uit dienst is gegaan en door [geïntimeerde] niet altijd even helder is gecommuniceerd over de berekening van de WIA-excedentuitkering.

5.Beoordeling

5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. [appellant] stelt zich (samengevat) op het standpunt dat hij een te lage WIA-excedentuitkering ontvangt doordat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan haar verplichting om de juiste salarisgegevens te verstrekken aan ASR en UWV. Daardoor wordt de WIA-uitkering door ASR niet aangevuld tot zijn laatstverdiende salaris, maar tot het op 24 juni 2021 tussen [geïntimeerde] en ASR overeengekomen bedrag van € 193.952,80 per jaar. [appellant] is het oneens met een aantal door de kantonrechter vastgestelde feiten, die volgens hem onvolledig zijn (
grief I en II) en met het oordeel van de kantonrechter dat zijn vordering onder het finale kwijtingsbeding valt (
grief III). Verder bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat hij niet heeft gedwaald (
grief IV) en komt hij op tegen de beslissing om de proceskosten te compenseren (
grief V).
De eiswijziging van [appellant]
5.2.
Ter zitting heeft de advocaat van [appellant] desgevraagd het petitum, zoals opgenomen in de memorie van grieven, toegelicht. De advocaat van [geïntimeerde] heeft deze toelichting opgevat als een nieuwe eiswijziging en daartegen bezwaar gemaakt wegens strijd met de twee-conclusie-regel. Het hof stelt vast dat geen sprake is van een nieuwe (ongeoorloofde) eiswijziging. Op basis van de nadere toelichting van mr. Weijer ter zitting, zal het hof het petitum zo uitleggen dat de vorderingen onder II.a, II.b en II.c van het petitum (hierboven weergegeven onder rov 2 sub a., b. en c.), naast elkaar staan, met dien verstande dat de vordering onder II.a (vernietiging van het finale kwijtingsbeding) is ingesteld voor zover het primaire standpunt van [appellant] , dat zijn vordering niet onder het finale kwijtingsbeding valt, wordt verworpen. De vorderingen zoals opgenomen in de appeldagvaarding liggen niet meer voor, zo is ter zitting door [appellant] bevestigd.
[geïntimeerde] heeft onvolledige loongegevens doorgegeven
5.3.
Het hof zal eerst beoordelen of [geïntimeerde] heeft verzuimd om de juiste (volledige) loongegevens door te gegeven aan ASR. Vaststaat dat [geïntimeerde] zich jegens [appellant] heeft verplicht om een verzekering af te sluiten die voorziet in aanvulling van het inkomen van [appellant] als hij een WIA-uitkering zou genieten (de inkomensaanvulverzekering, een WIA-excedentverzekering). Om de hoogte van de aan [appellant] toekomende uitkering onder die verzekering te kunnen vaststellen, moet ASR beschikken over de loongegevens van [appellant] , die door [geïntimeerde] moeten worden verstrekt. Vaststaat dat [geïntimeerde] aanvankelijk niet de volledige salarisgegevens aan ASR heeft doorgegeven (zie 3.8 tot en met 3.10). Als gevolg daarvan heeft ASR het verzekerd jaarloon aanvankelijk vastgesteld op een te laag bedrag van € 174.417,-. [geïntimeerde] heeft dit gecorrigeerd en met ASR afgesproken dat – met betaling van een aanvullende koopsom – voor de hoogte van de aanvulling zal worden uitgegaan van een jaarloon van € 193.952,80. Volgens [appellant] is ook dit bedrag niet correct, omdat daarin bepaalde loonbestanddelen ten onrechte niet zijn meegenomen. [geïntimeerde] bestrijdt dat. Volgens [geïntimeerde] is € 193.952,80 het correcte jaarloon, omdat dit het (onherroepelijk) door UWV vastgestelde sv-loon is waarvan ASR op basis van de met [geïntimeerde] overeengekomen polisvoorwaarden uit gaat. Aan [appellant] als verzekerde medewerker onder die polis komt niet meer toe dan uit de polisvoorwaarden voortvloeit.
5.4.
Het hof verwerpt het betoog van [geïntimeerde] . Nergens in de polisvoorwaarden valt te lezen dat het verzekerd loon wordt gebaseerd op het door UWV vastgestelde sv-loon. Dat staat ook niet in de artikelen 1.7 en 3.3. van de Polisvoorwaarden Basismodule WIA Excedent, waarnaar [geïntimeerde] verwijst. In deze artikelen staat (slechts) hoe aan de hand van het verzekerd loon, het dekkingspercentage en het door UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage het verzekerd bedrag wordt berekend, maar daarin staat geen definitie van het verzekerd loon. Het verzekerd loon is in artikel 1.12 van de polisvoorwaarden gedefinieerd als ‘het jaarloon zoals u [
, toevoeging hof] dat aan de Belastingdienst opgeeft voor de rubriek “Loon voor werknemersverzekeringen, tenzij wij schriftelijk met u een ander loonbegrip hebben afgesproken”. Van een dergelijke afwijkende afspraak is niet gebleken. Partijen zijn het erover eens dat het bij de bepaling van het jaarloon gaat om de referteperiode van 12 augustus 2018 tot 11 augustus 2019. Het is weliswaar zo dat het UWV vervolgens op basis van die gegevens het sv-loon voor de WIA-uitkering vaststelt, maar dat betekent niet dat (in de polisvoorwaarden is bepaald dat) het bij ASR verzekerd loon daarop is gebaseerd. Dat [appellant] in een e-mail van 6 mei 2021 zelf heeft bevestigd dat de berekening van het UWV leidend is, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, doet daaraan niets af. Gelet hierop kan in het midden blijven of het toekenningsbesluit van UWV formele rechtskracht heeft, zoals [geïntimeerde] heeft betoogd.
5.5.
Op grond van de polisvoorwaarden is het verzekerd loon dus gelijk aan het jaarloon dat [geïntimeerde] daadwerkelijk aan de Belastingdienst heeft doorgegeven. Indien komt vast te staan dat dit doorgegeven jaarloon op grond van fiscale en sociale zekerheidswetgeving onvolledig of onjuist is, doet dat weliswaar niet af aan het tussen [geïntimeerde] en ASR geldende verzekerd loon, maar levert dat in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] wél wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad op.
5.6.
Ter zitting is duidelijk geworden dat [geïntimeerde] de salarisgegevens zoals vermeld op de Nederlandse loonstroken (productie 14 CvA) aan de Belastingdienst heeft doorgegeven. Daarop staat het reguliere Nederlandse salaris inclusief vakantietoeslag en het reguliere VS-salaris inclusief vakantietoeslag. [appellant] heeft erop gewezen dat op deze Nederlandse loonstroken loonbestanddelen ontbreken, die hij wel heeft ontvangen en die ook op zijn Amerikaanse loonstroken (productie AQ en AS) staan. Het gaat om de volgende bruto bestanddelen: de pensioencompensatie, het VS-salaris over 2018, een deel van het VS-salaris over 2019, vakantiebijslag over het niet doorgegeven deel van het salaris, de bonus en de vergoedingen voor ‘cost of living’, ‘mobility’ en ‘relocation’.
5.7.
[geïntimeerde] heeft daartegen ingebracht dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat de door hem opgevoerde loonbestanddelen op grond van fiscale en sociale zekerheidswetgeving tot het sv-loon behoren en welke rol het feit dat de beloning deels grensoverschrijdend werd genoten hierbij heeft gespeeld. Volgens [geïntimeerde] moet dan ook worden uitgegaan van de juistheid van het door UWV vastgestelde sv-loon.
5.8.
Anders dan [geïntimeerde] , vindt het hof dat [appellant] zijn stelling terzake wel voldoende heeft onderbouwd. Hiervoor onder 5.4 is al geoordeeld dat niet het door UWV vastgestelde sv-loon bepalend is, maar het “Loon voor werknemersverzekeringen” dat aan de Belastingdienst is opgegeven. Verder heeft [appellant] terecht naar voren gebracht dat het begrip “Loon voor werknemersverzekeringen” ruim moet worden opgevat, hetgeen hij heeft onderbouwd met wet- en regelgeving en rechtspraak (randnummers 25 t/m 31 van de pleitnota in hoger beroep). Onder het begrip vallen alle belastbare onderdelen verkregen uit dienstbetrekking, waaronder ook variabele beloningen en vergoedingen. [appellant] heeft gesteld dat de niet doorgegeven loonbestanddelen bruto vergoedingen zijn waarover daadwerkelijk loonbelasting is afgedragen (randnummer 31 van de pleitnota in hoger beroep). [geïntimeerde] heeft dat niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. Daarmee staat vast dat het gaat om belastbare en uit dienstbetrekking verkregen vergoedingen die aan de Belastingdienst opgegeven hadden moeten worden. Dat geldt in elk geval voor de bruto bonus die begin 2019, dus in het refertejaar aan [appellant] is uitbetaald, omdat een bruto bonus behoort tot het verzekerd loon in het jaar waarin de bonus daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Het hof gaat dan ook voorbij aan de niet onderbouwde betwisting van [geïntimeerde] dat de bonus buiten beschouwing moet blijven, omdat niet gezegd is dat die op de referteperiode sloeg.
5.9.
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat [geïntimeerde] heeft verzuimd om de juiste (volledige) loongegevens aan de Belastingdienst door te geven, hetgeen wanprestatie oplevert.
De vordering valt niet onder het finale kwijtingsbeding (grief III)
5.10.
[geïntimeerde] is aansprakelijk voor door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van haar wanprestatie, tenzij het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijtingsbeding daaraan in de weg staat, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld.
5.11.
[appellant] heeft betoogd dat het finale kwijtingsbeding niet ziet op de WIA-excedentuitkering en de hoogte van het verzekerd loon. De vaststellingsovereenkomst en de in dat kader uitgekeerde compensatie zagen enkel op de tussentijdse financiële afwikkeling van het dienstverband en op de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst met een jaar zou worden verlengd. De betaalde vergoedingen bevatten geen compensatie voor misgelopen WIA-excedentuitkering. Een finale kwijting met de door [geïntimeerde] bepleite strekking leidt ertoe dat [appellant] een aanzienlijk lagere WIA-excedentuitkering ontvangt dan waarop hij op grond van zijn arbeidsovereenkomst recht heeft. [appellant] heeft daarmee niet uitdrukkelijk ingestemd en dat was ook nooit zijn bedoeling. [geïntimeerde] heeft [appellant] ook niet gewezen op de financiële gevolgen van de door haar voorgestane kwijting. Verder geldt dat de advocaat van [appellant] een voorbehoud heeft gemaakt voor de kwestie ASR (zie 3.12) en dat [appellant] nooit akkoord is gegaan met het bedrag van € 193.952,80 aan verzekerd loon.
5.12.
[geïntimeerde] heeft daartegen (samengevat) het volgende aangevoerd. De WIA-excedentuitkeringen zijn doorlopend onderdeel geweest van het overleg over de vaststellingsovereenkomst en de hoogte van de WIA-excedentuitkering maakte onderdeel uit van het geschil dat tot de vaststellingsovereenkomst heeft geleid waarin finale kwijting is opgenomen. [appellant] heeft na 9 juli 2021 geen enkel voorbehoud gemaakt, terwijl hij op dat moment wist welk bedrag ASR aanhield voor de berekening van de WIA-excedentuitkering. Ook na ontvangst van de e-mail van 15 juli 2021 heeft [appellant] met geen woord gerept over de WIA-excedentuitkering. [appellant] heeft op 24 augustus 2021 de vaststellingsovereenkomst getekend zodat de conclusie moet worden getrokken dat hij hiermee afstand heeft gedaan van ieder vorderingsrecht richting [geïntimeerde] uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst dan wel de Assignment Letter.
5.13.
Het hof overweegt als volgt. Een vaststellingsovereenkomst is naar zijn aard bedoeld om een einde te maken aan één of meer geschillen tussen partijen en eenduidig de rechtsverhouding tussen partijen te regelen, waarbij kan worden afgeweken van hetgeen tussen hen zonder die overeenkomst zou hebben gegolden. De uitleg en de reikwijdte van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst moet worden bepaald aan de hand van de Haviltexnorm (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Ingevolge de Haviltexnorm is bij de uitleg van een bepaling in een overeenkomst beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX7588, ABN Amro/Dayala) volgt dat een finale kwijting-sbeding in een vaststellingsovereenkomst beperkt moet worden uitgelegd. Als een aanspraak niet in de onderhandelingen is besproken en niet in de overeenkomst is opgenomen, valt deze niet onder de finale kwijting. Partijen kunnen immers in redelijkheid niet van iets afstand doen waarover niet is gesproken, laat staan van iets waarvan ze geen kennis hebben.
5.14.
Met inachtneming van het voorgaande oordeelt het hof dat de onderhavige vordering niet onder het finale kwijtingsbeding valt, en dat grief III in zoverre slaagt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat partijen in de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst niet over specifiek deze vordering hebben gesproken en dat in de overeenkomst ook niet is vastgelegd dat die vordering onder de finale kwijting valt. Zoals [geïntimeerde] terecht heeft opgemerkt is in de onderhandeling wel gesproken over de WIA-excedentuitkering, maar dat was alleen om de hoogte van de compensatie te kunnen vaststellen die [geïntimeerde] tijdens het verlengingsjaar aan [appellant] zou betalen, zodat hij er in inkomen niet op achteruit zou gaan. De e-mails van 19 mei en 5 juli 2021 van de advocaat van [appellant] (waarnaar [geïntimeerde] in randnummer 26 MvA verwijst) zijn ook uitsluitend in die context geschreven. Verder is in de periode dat de onderhandelingen plaatsvonden aan de orde geweest of het aanvankelijk door ASR vastgestelde verzekerd loon van € 174.417 juist was. Daarover heeft de (toenmalige) advocaat van [appellant] in de correspondentie ook een voorbehoud gemaakt (zie 3.12).
Gelet op het onder 5.13 bedoelde uitgangspunt kan daarom de vaststellingsovereenkomst niet zo worden uitgelegd dat [appellant] met het instemmen met de finale kwijting ook afstand heeft gedaan van een vordering op [geïntimeerde] wegens een incorrect aan ASR opgegeven loon ten behoeve van de WIA-excedentuitkering. Dat [geïntimeerde] en ASR daarover nader hebben gecorrespondeerd en/of dat [appellant] aan ASR heeft bericht dat het bedrag van € 193.952,80 juist was doet daaraan niet af, want dat zijn kwesties die niet zien op de tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesloten vaststellingsovereenkomst met kwijtingsbepaling.
5.15.
De conclusie is dat de vordering van [appellant] niet onder het finale kwijtingsbeding valt. Het hof komt daardoor niet toe aan beoordeling van grief IV en vordering II.a. van het petitum.
Voor [appellant] geldt een maximum verzekerd loon van € 240.000,- (grief III)
5.16.
In de toelichting op grief III betoogt [appellant] dat uit artikel 5.4 van de Assignment Letter blijkt dat voor [appellant] geen maximum verzekerd loon van € 240.000,- gold.
5.17.
Dat betoog faalt. In voornoemde bepaling is overeengekomen dat de bestaande dekking zal worden uitgebreid om ook het inkomen in het gastland te omvatten. Daaraan is door partijen echter ook een beperking aangebracht, namelijk dat de omvang van de dekking wordt bepaald door de afgesloten verzekering en dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor claims die niet (volledig) door de verzekering worden gedekt. De afgesloten verzekering kent blijkens de polisvoorwaarden een maximum verzekerd loon per medewerker van € 240.000,- bruto. In zijn e-mail van 19 mei 2021 heeft [appellant] - die de Assignment letter zowel in de hoedanigheid van werknemer als in de hoedanigheid van bestuurder van [geïntimeerde] heeft ondertekend - ook zelf erkend dat sprake is van een maximum verzekerd loon (zie 3.8). In het licht daarvan is zijn stelling dat was afgesproken dat het volledige loon verzekerd zou worden en dat tussen hen geen maximum gold, onvoldoende onderbouwd.
Voor zover [appellant] stelt dat hierover apart afspraken zijn gemaakt is die stelling niet concreet uitgewerkt of onderbouwd. Zo is niet aangegeven wanneer of in welke context daarover gesproken is. Nu [geïntimeerde] dit betwist is geen ruimte voor bewijslevering.
5.18.
Grief III faalt dus op dit onderdeel. De vordering van [appellant] om voor recht te verklaren dat tussen partijen was afgesproken dat het volledige loon verzekerd zou worden en dat tussen hen geen maximum van € 240.000,- gold, zal worden afgewezen.
De zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure
5.19.
[appellant] vordert in deze procedure verwijzing naar de schadestaatprocedure, waartegen [geïntimeerde] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat [appellant] de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk heeft gemaakt (Hoge Raad 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435). Daaraan is in dit geval voldaan. Hiervoor is overwogen dat [geïntimeerde] één of meerdere loonbestanddelen ten onrechte niet heeft doorgegeven. Het is aannemelijk dat daardoor een te lage WIA-excedentuitkering is vastgesteld waardoor [appellant] schade heeft geleden dan wel zal lijden. De omvang van deze schade kan, mede gelet op het verweer van [geïntimeerde] tegen de hoogte (omvang) van de door [appellant] genoemde schadebedragen (bijvoorbeeld de toepassing van de Tax Equalizaton Method), in deze procedure niet eenvoudig worden bepaald of begroot, zoals kennelijk tussen partijen ook niet in geschil is.
5.20.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van zijn schade, op te maken bij staat, worden toegewezen.
Geen veroordeling tot betaling van de werkelijke proceskosten (grief V)
5.21.
Met grief V komt [appellant] op tegen de beslissing van de kantonrechter om de proceskosten te compenseren en stelt hij zich op het standpunt dat er voldoende grond is om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten wegens onrechtmatig handelen dan wel handelen in strijd met het goed werkgeverschap. De grief faalt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de lat voor vergoeding van de werkelijke proceskosten niet is gehaald en eveneens dat de proceskosten terecht zijn gecompenseerd, omdat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld.
Slotoverweging
5.22.
Alleen grief III slaagt deels. [appellant] heeft geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zodat zijn bewijsaanbod daarom wordt gepasseerd.
5.23.
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, voor zover de vordering van [appellant] is afgewezen. Beide partijen zijn in het hoger beroep deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De proceskosten in hoger beroep zullen daarom worden gecompenseerd.

6.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de vordering van [appellant] is afgewezen, en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade van [appellant] , nader op te maken bij staat;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
bepaalt dat partijen in appel hun eigen proceskosten dragen;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. W. Aardenburg, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en N. Kampert en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.