ECLI:NL:GHAMS:2025:3261

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
23-000633-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging deels vrijspraak en oplegging taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor bezit van 3.400 gram MDMA

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam is het hof grotendeels meegegaan met de bewezenverklaring van het bezit van circa 3.400 gram MDMA in de woning van verdachte. De politie betrad de woning op basis van een redelijk vermoeden van schuld, gegrond op onderzoek naar een medeverdachte en locatiegegevens. Tijdens de doorzoeking werden tassen met pillen aangetroffen, waarop een vingerafdruk van verdachte werd gevonden.

De verdediging voerde aan dat de doorzoeking onrechtmatig was en dat verdachte geen wetenschap of machtsuitoefening over de drugs had. Het hof verwierp deze verweren en achtte het bewijs wettig en overtuigend. Voor de ten laste gelegde vervaardiging, vervoer of handel en medeplegen werd verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

De strafoplegging werd aangepast: het hof vernietigde het vonnis voor de gevangenisstraf en legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en het advies van de reclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 7 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur voor bezit van 3.400 gram MDMA.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000633-24
datum uitspraak: 4 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-309174-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1986,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de gebruikte bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die, na het eventueel instellen van beroep in cassatie, zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest, en dat het hof de bewijsmotivering vervangt door de navolgende bewijsmotivering.

Bewijsmotivering

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van het aanwezig hebben van drugs, te weten MDMA, gevorderd.
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de politie ten tijde van de doorzoeking richting de verdachte geen redelijk vermoeden van schuld kon hebben en de doorzoeking om die reden onrechtmatig was, zodat bewijsuitsluiting – en subsidiair strafvermindering – moet volgen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap dan wel beschikkingsmacht had over de aangetroffen MDMA.
De raadsman heeft subsidiair, in geval het hof tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht om een tussenarrest te wijzen, teneinde de politie in staat te stellen schermafbeeldingen te maken van de berichten die zijn aangetroffen op de telefoon van de verdachte.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Het hof volgt grotendeels de overwegingen van de rechtbank en neemt deze – mede omwille van de leesbaarheid van deze bewijsmotivering – zoveel als mogelijk uit het vonnis over.
Verweer op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
Het hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat ten tijde van het binnentreden van de woning van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond als bedoeld in artikel 27 Sv Pro. Het hof acht daarvoor het volgende redengevend.
Uit het onderzoek naar medeverdachte [medeverdachte] was bij het onderzoeksteam van de politie het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte] zich zou bezighouden met de handel in harddrugs. In dat onderzoek is op grond van locatiegegevens van de auto van [medeverdachte] en de in die auto opgenomen gesprekken (OVC-gesprekken) -zoals hieronder nader toegelicht- het adres [adres 2] in beeld gekomen. De verdachte was ingeschreven op dat adres. [medeverdachte] heeft, in het kader van verlof tijdens een eerdere detentie, de verdachte en dit adres genoemd, waaruit kan worden afgeleid dat hij en de verdachte elkaar kennen.
Volgens de locatiegegevens stond de auto van [medeverdachte] op 27 september 2023 tussen 01:08 uur en 01:25 uur geparkeerd in de straat [adres 2] ter hoogte van nummer [nummer] (het hof begrijpt: de auto stond geparkeerd in de nabijheid van de woning van de verdachte). Uit een OVC-gesprek volgt dat [medeverdachte] en zijn oom [persoon] om 1:09 uur de auto verlieten. Bij terugkomst in de auto om 1:25 uur spraken zij over ‘deze pil’ en dat je met het versturen ervan naar het buitenland veel geld kan maken. [medeverdachte] belde vervolgens om 2:10 uur met zijn vriendin. In dat gesprek had hij het over ‘die torie’ en ‘dat het weg bij je ma moest’, dat hij het direct is gaan brengen met zijn oom en dat hij hoopt er 6-doezoe (het hof begrijpt: € 6000,00) winst op te maken. Gelet op deze bevindingen is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte] op 27 september 2023 drugs heeft gebracht naar de woning van verdachte. Op grond van dit vermoeden is de politie vervolgens op 20 november 2023 de woning van verdachte binnengetreden ter doorzoeking.
Naar het oordeel van het hof hebben het binnentreden van de woning en de doorzoeking dan ook niet onrechtmatig plaatsgevonden. Daarmee is ook het bewijs dat vervolgens als resultaat van die doorzoeking werd gevonden niet onrechtmatig verkregen. Dat betekent dat het verweer tot bewijsuitsluiting reeds daarom faalt.
Ten aanzien van het aanwezig hebben van MDMA
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA in de zin van artikel 2 van Pro de Opiumwet is vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van dat middel in de woning. Daarnaast is een zekere machtsuitoefening vereist, waarbij voldoende kan zijn dat de MDMA zich in de machtssfeer van de verdachte bevond.
Het hof stelt vast dat tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte in het washok drie tassen met pillen met verschillende kleuren (waaronder groen, geel, roze) zijn aangetroffen, verdeeld over verschillende zakken, met een brutogewicht van ongeveer 3.400 gram. Op deze pillen was het ‘Red Bull’ logo en een stier afgebeeld. Uit een laboratoriumrapport van de Forensische Opsporing is gebleken dat deze pillen MDMA bevatten. Tevens is forensisch onderzoek verricht naar dactyloscopische sporen. Op een gripzakje dat zich in een van de tassen bevond, is een vingerafdruk van de verdachte aangetroffen.
De verdachte heeft gedurende het onderzoek wisselende verklaringen afgelegd over de pillen die in zijn woning zijn aangetroffen. Zo verklaarde de verdachte tijdens de doorzoeking op 20 november 2023 dat hij de zakken buiten bij de afvalbakken had gevonden. In een brief, die de verdachte tijdens het verhoor op 8 januari 2024 heeft overgelegd, verklaarde hij dat hij dacht dat het om cafeïnepillen ging. Tijdens de zitting in eerste aanleg heeft de verdachte zich – onder verwijzing naar de verklaring in eerdergenoemde brief — verder op zijn zwijgrecht beroepen, evenals in hoger beroep.
Op grond van het aantreffen van ongeveer 3.400 gram aan pillen met MDMA in tassen in de woning van de verdachte, het aantreffen van een vingerafdruk van de verdachte op een gripzakje dat zich bevond in een van die tassen, en de omstandigheid dat de verdachte voor deze bevindingen geen enkele geloofwaardige hem ontlastende verklaring heeft gegeven, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat hij opzettelijk ongeveer 3.400 gram MDMA in zijn woning aanwezig heeft gehad.
Het hof merkt op dat het de resultaten van het onderzoek dat is verricht aan de telefoon van de verdachte niet voor het bewijs bezigt, zodat het daarop betrekking hebben verweer geen bespreking behoeft.
Partiële vrijspraak
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan concrete handelingen die op de ten laste gelegde vervaardiging, vervoer of handel in MDMA zien. Voorts is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende concreet bewijs bevat dat verdachte bij het aanwezig hebben van de MDMA met anderen nauw en bewust heeft samengewerkt. Van het vervaardigen of vervoeren van dan wel handelen in MDMA en het medeplegen wordt de verdachte dan ook vrijgesproken.
Voorwaardelijk verzoek verdediging
Nu het hof de resultaten van het onderzoek, dat is verricht naar de berichten op de telefoon van de verdachte, niet bezigt voor het bewijs, ziet het hof geen noodzaak om nader onderzoek te laten verrichten naar (de correcte) weergave in het dossier van deze berichten. Voor zover de verdachte heeft willen betogen dat de in het dossier te voegen schermafbeeldingen van de chatgesprekken op de telefoon aantonen dat hij geen aandeel heeft gehad in het vervaardigen van MDMA-pillen, overweegt het hof dat de verdachte ten aanzien van dit vervaardigen wordt vrijgesproken. Het voorwaardelijk gedane verzoek van de verdediging wordt dan ook afgewezen.
Conclusie
Het hof acht het ten laste gelegde aanwezig hebben van MDMA bewezen.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft het hof in geval van een bewezenverklaring verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest en voor het overige een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een gevangenisstraf op te leggen met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf.
Met betrekking tot de hoogte van de op te leggen straf heeft de raadsman nog naar voren gebracht dat weliswaar sprake zal zijn geweest van netto ten minste drie kilogram MDMA, maar dat de LOVS-oriëntatiepunten voor harddrugs zijn gebaseerd op het – in dit geval – aanwezig hebben van (nagenoeg) 100 % pure harddrugs, zoals die van blokken cocaïne uit Colombia en niet van deze MDMA, waarvan het gehalte aan werkzame stof veel lager ligt dan van bijvoorbeeld die cocaïne.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige overtreding van de Opiumwet. Hij heeft in zijn woning opzettelijk een grote hoeveelheid pillen, in totaal ongeveer 3.400 gram, bevattende MDMA aanwezig gehad. Het gebruik van MDMA kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers en kan leiden direct of indirect tot verschillende vormen van criminaliteit, met ontwrichting van de maatschappij tot gevolg. De verdachte heeft zich hiervoor onverschillig getoond. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze harddrugs rouleren. Vanwege de ernst van het strafbare handelen van de verdachte is dan ook in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende sanctie.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij het bepalen van het juiste oriëntatiepunt kan het hof de advocaat-generaal en de raadsman volgen in hun uitgangspunt dat voornoemd bruto gewicht aan MDMA in elk geval ten minste een netto gewicht van 3 kilogram zal hebben betroffen. Voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid van tussen de 3.000 en 4.000 gram MDMA wordt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden genoemd. In dit kader merkt het hof op dat voornoemde stelling van de raadsman, dat de LOVS-oriëntatiepunten louter betrekking hebben op drugs die (nagenoeg) 100% werkzame stof bevatten, en de stelling dat bij deze partij daarvan geen sprake was, geen van beide steun vinden in respectievelijk de toelichting op die oriëntatiepunten en het dossier.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 26 januari 2024. De reclassering heeft geadviseerd aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met het idee dat hier een afschrikwekkende werking van uitgaat. Het hof acht in beginsel dan ook de straf zoals door de rechtbank opgelegd passend en geboden.
Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze door de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, aanleiding om een andere straf op te leggen. Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte, nadat hij ten gevolge van het plegen van dit feit –met alle consequenties van dien – een moeilijke periode heeft doorgemaakt, en na vijf maanden te hebben vastgezeten zijn leven inmiddels behoorlijk op de rit lijkt te hebben. De verdachte heeft een (nieuwe) eigen woning, volgt een studie en heeft een aan die studie verbonden dienstbetrekking als belastingadviseur. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet wenselijk en ook niet noodzakelijk dat de verdachte thans opnieuw komt vast te zitten; het hof zal in plaats daarvan een taakstraf opleggen. Verder acht het hof het van belang dat hem een forse voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd hangt. Hiermee beoogt het hof enerzijds de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het hof zal dan ook naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur opleggen
Het hof komt niet tot de door de raadsman op grond van artikel 359a Sv gevraagde strafvermindering omdat, zoals hiervoor overwogen, geen sprake was van een vormverzuim dat aan strafvermindering ten grondslag zou kunnen liggen.
Alles overwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof zal daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De hiervoor genoemde straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, waaronder de beslissingen omtrent het beslag, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. H.A. van Eijk en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 december 2025.
=========================================================================
[…]