In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam is het hof grotendeels meegegaan met de bewezenverklaring van het bezit van circa 3.400 gram MDMA in de woning van verdachte. De politie betrad de woning op basis van een redelijk vermoeden van schuld, gegrond op onderzoek naar een medeverdachte en locatiegegevens. Tijdens de doorzoeking werden tassen met pillen aangetroffen, waarop een vingerafdruk van verdachte werd gevonden.
De verdediging voerde aan dat de doorzoeking onrechtmatig was en dat verdachte geen wetenschap of machtsuitoefening over de drugs had. Het hof verwierp deze verweren en achtte het bewijs wettig en overtuigend. Voor de ten laste gelegde vervaardiging, vervoer of handel en medeplegen werd verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.
De strafoplegging werd aangepast: het hof vernietigde het vonnis voor de gevangenisstraf en legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en het advies van de reclassering.