In deze civiele zaak vordert de appellant, huurder, de terugbetaling van een waarborgsom van €3.600,- van de geïntimeerde, verhuurder, na afloop van een huurovereenkomst die liep van 1 februari 2014 tot 1 november 2023. De kantonrechter wees de vordering af omdat niet was komen vast te staan dat de waarborgsom daadwerkelijk was betaald aan de makelaar van de verhuurder.
In hoger beroep overlegt de appellant een factuur van de makelaar van de verhuurder waaruit blijkt dat de waarborgsom van €3.600,- reeds is betaald. Het hof acht deze factuur niet weersproken en concludeert dat de waarborgsom wel degelijk is voldaan.
Het hof vernietigt het bestreden eindvonnis en veroordeelt de verhuurder tot betaling van de waarborgsom, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 november 2023, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. Tevens wordt de verhuurder veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.