Uitspraak
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
Gerechtshof Amsterdam
Klager heeft een klacht ingediend tegen gerechtsdeurwaarders, welke door de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders als kennelijk ongegrond is afgewezen. Klager stelde verzet in tegen deze beslissing, maar dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard. Vervolgens heeft klager hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing van de kamer.
Het hof heeft in de behandeling van het hoger beroep uitsluitend de ontvankelijkheid beoordeeld, waarbij het rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet centraal stond. Dit verbod sluit hoger beroep uit tegen de beslissing waarbij het verzet ongegrond wordt verklaard, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden zoals schending van fundamentele rechtsbeginselen.
Klager voerde aan dat het recht op hoor en wederhoor niet juist was toegepast en dat de voorzitter van de kamer niet naar hem en zijn echtgenote wilde luisteren. Het hof heeft deze stellingen onderzocht en geoordeeld dat klager zijn bezwaren bij de kamer naar voren heeft kunnen brengen en dat de zitting eerlijk en onpartijdig is verlopen.
Daarom is het hoger beroep niet ontvankelijk en is het beroep afgewezen. Het hof bevestigt hiermee het rechtsmiddelenverbod en de rechtmatigheid van de eerdere beslissingen van de kamer.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de beslissing waarbij het verzet ongegrond werd verklaard wordt afgewezen vanwege het rechtsmiddelenverbod.