ECLI:NL:GHAMS:2025:3310

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
200.347.586
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 GerechtsdeurwaarderswetArt. 45 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet tegen klacht gerechtsdeurwaarders

Klager heeft een klacht ingediend tegen gerechtsdeurwaarders, welke door de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders als kennelijk ongegrond is afgewezen. Klager stelde verzet in tegen deze beslissing, maar dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard. Vervolgens heeft klager hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing van de kamer.

Het hof heeft in de behandeling van het hoger beroep uitsluitend de ontvankelijkheid beoordeeld, waarbij het rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet centraal stond. Dit verbod sluit hoger beroep uit tegen de beslissing waarbij het verzet ongegrond wordt verklaard, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden zoals schending van fundamentele rechtsbeginselen.

Klager voerde aan dat het recht op hoor en wederhoor niet juist was toegepast en dat de voorzitter van de kamer niet naar hem en zijn echtgenote wilde luisteren. Het hof heeft deze stellingen onderzocht en geoordeeld dat klager zijn bezwaren bij de kamer naar voren heeft kunnen brengen en dat de zitting eerlijk en onpartijdig is verlopen.

Daarom is het hoger beroep niet ontvankelijk en is het beroep afgewezen. Het hof bevestigt hiermee het rechtsmiddelenverbod en de rechtmatigheid van de eerdere beslissingen van de kamer.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de beslissing waarbij het verzet ongegrond werd verklaard wordt afgewezen vanwege het rechtsmiddelenverbod.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.347.586/01 GDW
nummers eerste aanleg : C/13/745075 / DW RK 24/33
C/13/749104 / DW RK 24/150 (verzet)
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 9 december 2025
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

destijds kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] , thans toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,
2.
[geïntimeerde 2],
gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,
3.
[geïntimeerde 3],
gerechtsdeurwaarder te [plaats 3] ,
geïntimeerden,
gemachtigde: mr. M. Getkate.
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarders genoemd.

1.De zaak in het kort

Klager is in hoger beroep gekomen van een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) waarbij het door klager ingediende verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Van dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Klager is het met name niet eens met de beslissing van de kamer en wil dat zijn klacht tegen de gerechtsdeurwaarders nog eens in behandeling wordt genomen. Daarnaast heeft klager gesteld dat de voorzitter van de kamer tijdens de zitting niet naar hem (en zijn echtgenote) heeft geluisterd. Het hof wijst het hoger beroep af.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klager heeft op 1 november 2024 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer van 4 oktober 2024 onder nummer C/13/749104 / DW RK 24/150 (ECLI:NL:TGDKG:2024:106).
2.2.
De gerechtsdeurwaarders hebben op 7 februari 2025 een verweerschrift over de ontvankelijkheid bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 25 september 2025. Het hof heeft partijen vooraf laten weten tijdens deze zitting alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep te zullen behandelen. Klager, vergezeld van zijn echtgenote, en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de echtgenote van klager aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. De gerechtsdeurwaarders zijn niet verschenen.

3.Ontvankelijkheid

3.1.
Klager heeft op 14 januari 2024 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarders. De gerechtsdeurwaarders hebben op 22 februari 2024 een verweerschrift ingediend. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 2 april 2024 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klager tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Bij de bestreden beslissing heeft de kamer het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 Gdw Pro staat tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open, tenzij dit is uitgesloten. Artikel 39 lid 4 Gdw Pro bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer waarbij het verzet ongegrond is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Van dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken, bijvoorbeeld indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klager stelt dat hij het niet eens is met de beslissing van (de voorzitter van) de kamer. Klager wil dat zijn klacht tegen de gerechtsdeurwaarders nog eens in behandeling wordt genomen. Voor klager is nog steeds niet duidelijk waar zijn schuld bij de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders vandaan komt. De gerechtsdeurwaarders hebben volgens hem ook niet gecontroleerd of deze schuld daadwerkelijk bestond. Ten slotte heeft klager aangevoerd dat de zitting bij de kamer op 21 augustus 2024 voor hem later dan het oorspronkelijke aanvangstijdstip begon, terwijl de (voormalige) gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders al wel in de zittingszaal aanwezig was. Ook wilde de voorzitter van de zitting niet naar klager (en zijn meegekomen echtgenote) luisteren, aldus klager.
3.4.
Het hof oordeelt als volgt. Dat klager het niet eens is met de inhoud van de beslissing van de kamer is geen grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Dit bezwaar ziet namelijk niet op schending van fundamentele rechtsbeginselen. Als klager alleen deze inhoudelijke grond zou hebben gesteld, zou het hoger beroep niet-ontvankelijk zijn. Klager heeft daarnaast echter ook gesteld dat het recht van hoor en wederhoor niet juist zou zijn toegepast tijdens de zitting bij de kamer. Omdat klager zich uitdrukkelijk beroept op deze doorbrekingsgrond zal het hof hem ontvangen in zijn hoger beroep en beoordelen of deze stelling juist is en een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod kan rechtvaardigen.
3.5.
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat hoor en wederhoor bij de beslissingen van de voorzitter van de kamer en van de kamer in deze zaak niet juist zijn toegepast. Klager heeft bij de kamer zijn bezwaren naar voren kunnen brengen en klager is daarover ter zitting gehoord, zoals ook uit het proces-verbaal van de zitting naar voren komt. Dat de zitting bij de kamer op 21 augustus 2024 voor hem later dan het oorspronkelijke aanvangstijdstip begon, terwijl de (voormalige) gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders al wel in de zittingszaal aanwezig was rechtvaardigt niet de conclusie dat de behandeling van de zaak niet eerlijk en onpartijdig is geweest. Uit de overgelegde stukken en wat ter zitting in hoger beroep nog door klager (en zijn echtgenote) is aangevoerd, is het hof ook verder niet gebleken van gronden voor een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.

4.Beslissing

Het hof:
- wijst het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 4 oktober 2024 af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en J.H. Lieber en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 door de rolraadsheer.