ECLI:NL:GHAMS:2025:3416

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.348.755/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling omgangsregeling tussen vader en minderjarige in het kader van gezagskwesties

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling met zijn minderjarige kind, hierna aangeduid als [minderjarige]. De vader was het niet eens met de eerdere beschikking van de rechtbank Noord-Holland, die op 3 september 2024 het verzoek tot een omgangsregeling had afgewezen. De moeder, die het gezag over [minderjarige] uitoefent, was het eens met de afwijzing van de rechtbank. De vader heeft in hoger beroep gesteld dat hij een rol in het leven van [minderjarige] wil vervullen, maar dat de moeder hem daarin belemmert. Het hof heeft de belangen van [minderjarige] zwaar laten wegen en geconcludeerd dat een omgangsregeling op dit moment in strijd is met zijn zwaarwegende belangen. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming hebben ook geadviseerd om geen omgangsregeling vast te stellen, omdat [minderjarige] niet openstaat voor contact met de vader. Het hof heeft de bestreden beschikking bekrachtigd en het verzoek van de vader afgewezen. Het hof heeft benadrukt dat het belangrijk is dat de moeder de vader blijft informeren over [minderjarige], zodat hij een band kan behouden, ook al is er momenteel geen omgangsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.348.755/01
zaaknummer rechtbank: C/15/324752 / FA RK 22-456
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist te Leiden,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. D.J.I. Kroezen te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
Het hof heeft als deskundige aangemerkt:
- de bijzondere curator [curator] (hierna: de bijzondere curator).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de omgang tussen de vader en [minderjarige] (11 jaar).
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 3 september 2024 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen. De vader is het daar niet mee eens en wil dat alsnog een omgangsregeling wordt vastgesteld. De moeder is het eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 2 december 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 21 januari 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 20 maart 2025 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 21 maart 2025 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 7 april 2025 met bijlage;
- een bericht van de vader van 23 oktober 2025 met bijlage.
2.4
De voorzitter van de eerder geplande zitting van 3 april 2025 heeft op 2 april 2025, in het bijzijn van de griffier, met de minderjarige [minderjarige] gesproken.
2.5
De zitting van 3 april 2025 heeft geen doorgang gevonden en is aangehouden, om de bijzondere curator in de gelegenheid te stellen voorafgaand aan de zitting in hoger beroep met [minderjarige] te spreken.
2.6
De zitting heeft op 29 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de bijzondere curator,
- de raad, vertegenwoordigd door W. Daalderop.
De voorzitter heeft de inhoud van het op 2 april 2025 gehouden kindgesprek zakelijk weergegeven. De ouders hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2014 te [plaats B] .
De ouders zijn in [plaats C] , Brazilië met elkaar getrouwd en zijn op 22 februari 2018 gescheiden. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
In de periode tussen maart 2018 en januari 2019 hebben in Brazilië tussen de ouders verschillende procedures gespeeld ten aanzien het gezag over [minderjarige] , de omgang tussen hem en de vader en de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar Nederland. Op
27 januari 2019 is de moeder, nadat zij toestemming had gekregen van de Braziliaanse rechter, samen met [minderjarige] naar Nederland verhuisd.
3.3
De ouders zijn in een vaststellingsovereenkomst van 12 januari 2020, die aan de beschikking van de rechtbank Den Haag van 7 februari 2021 is gehecht, – voor zover hier van belang (en vertaald) – het volgende overeengekomen:
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is in Nederland bij de moeder;
- de procedures tussen de ouders worden ingetrokken/stopgezet, alsook (toekomstige) (strafrechtelijke) procedures tegen de moeder in Brazilië. De moeder is vrij om Brazilië in en uit te reizen met [minderjarige] . Als de vader maatregelen neemt waardoor de moeder en/of [minderjarige] Brazilië niet kunnen/kan in- of uitreizen, verbeurt hij een dwangsom van € 100.000,-;
- zolang de vader in Brazilië verblijft, oefent de moeder het eenhoofdig gezag uit. Wanneer de vader naar Nederland verhuist, zullen de ouders bemiddelen over de mogelijkheden omtrent co-ouderschap en gezamenlijk gezag;
- [4.2] de vader heeft minstens drie keer per week bel- en skypecontact met [minderjarige] , rekening houdend met zijn leeftijd, wensen, aandachts- en spanningsboog;
- [4.3] zolang de vader in Brazilië verblijft, kan hij [minderjarige] elke schoolvakantie in Nederland bezoeken, hetgeen hij tenminste drie weken voor aankomst meldt. De vader kan dan in het huis van de moeder verblijven, terwijl de moeder die periode bij de grootmoeder van moederszijde verblijft. De vakantieverdeling is 50/50, mits de vader naar Nederland kan komen. De vader zal minstens drie keer per jaar proberen om naar Nederland te komen;
- als aan het tweede punt is voldaan, dan zal de moeder de vader in Brazilië bezoeken voor de kerst, om het jaar.
3.4
Bij beschikking van 14 juli 2021 heeft de rechtbank de door de ouders in de vaststellingsovereenkomst van 12 januari 2020 gemaakte afspraken gewijzigd, in die zin dat:
- aan artikel 4.2 van de overeenkomst wordt toegevoegd dat de bel-/skypecontacten plaatsvinden op maandag, woensdag en vrijdag om 17.00 uur (Nederlandse tijd);
- de derde tot en met vijfde zin van artikel 4.3 (de zinnen over het verblijf van de vader in de woning van de moeder) van de overeenkomst komen te vervallen;
- wordt bepaald dat de vader [minderjarige] kan bezoeken in Nederland gedurende de eerste helft van de kerst-, mei- en zomervakantie in de oneven jaren en in de tweede helft van deze vakanties in de even jaren, waarbij de vader twee maanden voorafgaand aan zijn bezoek dit aan de moeder moet bevestigen.
Daarnaast heeft de rechtbank het gezag van de vader over [minderjarige] beëindigd en de moeder alleen met het gezag belast.
3.5
Bij vonnis van 17 februari 2022 heeft de voorzieningenrechter de ouders verwezen naar het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) of een andere hulpverleningsinstantie zodat een traject voor begeleide omgang kan worden opgestart. Daarnaast is de raad verzocht onderzoek te doen en de rechtbank te adviseren over de vraag welke omgangsregeling het meest in het belang van [minderjarige] is en de wijze waarop deze omgangsregeling moet plaatsvinden.
3.6
Bij beschikking van 26 april 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de moeder de vader eenmaal per maand – en zo nodig vaker – per e-mail informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank de beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden tot 26 september 2022 in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek.
3.7
Bij beschikking van 22 mei 2023 heeft de rechtbank een bijzondere curator over [minderjarige] benoemd en is de behandeling van de omgangsregeling pro forma aangehouden tot
16 augustus 2023, in afwachting van het verslag van de bevindingen van de bijzondere curator. De bijzondere curator is bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 3 september 2024 ontslagen van haar taak als bijzondere curator over [minderjarige] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen en, met wijziging van de omgangsregeling van de beschikking van 14 juli 2021, bepaald dat er geen omgang is tussen de vader en [minderjarige] .
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, zo nodig via de inzet van gepaste maatregelen, zoals een ondertoezichtstelling en/of forensische mediation.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de verzoeken van de ouders. Nu tegen het oordeel van de rechtbank dat op deze verzoeken naar Nederlands recht wordt beslist niet is gegriefd, zal ook het hof van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaan.
De omgang
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten van de ouders
5.3
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte geen omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] heeft bepaald. De vader probeert er alles aan te doen om een rol te vervullen in het leven van [minderjarige] en een band met hem te krijgen, maar de moeder belemmert hem daarin. In november 2021 is de vader naar Nederland verhuisd, zodat hij meer contact met [minderjarige] zou kunnen hebben. Sindsdien heeft de vader [minderjarige] echter niet gezien en ook daarvoor heeft hij hem al lange tijd weinig gezien. De moeder verleent geen medewerking aan omgang. Ook geeft zij geen emotionele toestemming aan [minderjarige] voor contact met de vader en is sprake van ouderverstoting, waardoor [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. De vader vreest dat hij door het ontbreken van omgang steeds verder zal verdwijnen uit het leven van [minderjarige] . Dat is schadelijk voor zijn identiteitsontwikkeling. Het is dan ook belangrijk dat de ouders hulp krijgen zodat meer ruimte bij [minderjarige] ontstaat voor omgang. Alle mogelijkheden om omgang te bewerkstelligen moeten worden uitgeput, zoals ook vereist is op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dat kan door hulpverlening voor de ouders in te zetten, zoals via herstelgesprekken tussen de ouders dan wel forensische mediation, door het benoemen van een deskundige of instantie of zo nodig via een ondertoezichtstelling.
5.4
De moeder vindt dat de rechtbank terecht heeft beslist dat geen omgang tussen de vader en [minderjarige] moet plaatsvinden. De moeder heeft zich jarenlang ingezet om omgang tot stand te brengen, maar dat is tevergeefs geweest. Het contact is verslechterd als gevolg van het gedrag van de vader, onder meer omdat hij niet inziet wat [minderjarige] nodig heeft en niet in staat is zich te verplaatsen in zijn belevingswereld. Bij [minderjarige] bestaat nu geen ruimte meer voor contact. Daarnaast ontwikkelt hij zich positief en is het van belang dat dit wordt voortgezet. Ook de raad en de bijzondere curator zien nu geen mogelijkheden voor onbelaste omgang tussen de vader en [minderjarige] . Verder is het niet in het belang van de moeder dat hulpverlening voor de ouders wordt ingezet om contactherstel te bewerkstelligen. Dat zou de moeder ernstig belemmeren in haar traumaverwerking, hetgeen ook een negatieve weerslag zou hebben op [minderjarige] . Het enige wat de ouders nu kunnen doen is aan zichzelf werken. Het zou dan ook goed zijn als ook de vader individuele hulp inschakelt. Dat is tot op heden niet gebeurd en in de huidige situatie is het van belang dat de ontstane rust voortduurt.
De visie van de bijzondere curator
5.5
Volgens de bijzondere curator is omgang met de vader op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . Uit het rapport van de bijzondere curator van 30 november 2023 en de daaropvolgende gesprekken met [minderjarige] is gebleken dat hij niet openstond voor contact met de vader. Vervolgens heeft de bijzondere curator in de aanloop naar de zitting bij het hof weer een gesprek met [minderjarige] gehad, waarin hij dat opnieuw aangaf. De bijzondere curator vindt het zorgelijk dat er in de tussentijd niets is veranderd. [minderjarige] zit volledig klem tussen de ouders. Hij woont al lange tijd bij de moeder en de vader is niet in beeld, waardoor de afstand tot de vader voor hem steeds groter wordt. Bij [minderjarige] bestaat daardoor op dit moment geen draagvlak voor contact met de vader en zijn belang verzet zich nu dan ook tegen dat contact. Of er in de toekomst wel ruimte zal ontstaan voor omgang moet worden bezien en het beantwoorden van die vraag is nu een stap te ver voor [minderjarige] . Bovendien is het niet zijn taak om ruimte te creëren voor contactherstel, maar is dat iets wat op ouderniveau zal moeten plaatsvinden.
Het advies van de raad
5.6
De raad adviseert om geen omgangsregeling vast te stellen, omdat daarvoor op dit moment geen mogelijkheden bestaan. [minderjarige] is in het verleden belast met de verstoorde relatie tussen de ouders en dat heeft impact op hem gehad. Onder meer daardoor ontbreekt bij [minderjarige] draagvlak voor omgang. Het is niet aan [minderjarige] om zich bezig te houden met contactherstel en de ouders moeten zorgen dat [minderjarige] daarmee niet verder belast wordt. Om in de toekomst ruimte te creëren voor contact is het dan ook aan de ouders om zich daarvoor in te spannen. Gebleken is dat dit de afgelopen tijd niet is gebeurd en op ouderniveau geen hulp is ingezet. Bij de moeder bestaat daarvoor nog altijd geen ruimte vanwege haar traumaverwerking en de vader heeft daarin ook geen actie ondernomen. Dat maakt dat nu geen mogelijkheden bestaan voor contactherstel. Pas als daarvoor bij beide ouders een opening bestaat, kunnen daarin mogelijkheden ontstaan. Ook is de inzet van een ondertoezichtstelling niet wenselijk, aangezien die maatregel zich grotendeels richt op hulp voor het kind, terwijl de hulp in dit geval enkel gericht zou moeten zijn op de ouders.
De beoordeling door het hof
5.7
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders zijn in Brazilië met elkaar getrouwd, waar zij met [minderjarige] de eerste jaren van zijn leven in gezinsverband woonden. De ouders zijn sinds 2016 feitelijk uit elkaar. Vanaf dat moment woont [minderjarige] bij de moeder. Na de beëindiging van de relatie van de ouders is hun verhouding ernstig verstoord geraakt. Sindsdien worden zij het niet eens over het contact tussen de vader en [minderjarige] . In Brazilië hebben verschillende procedures gespeeld tussen de ouders, die onder meer zagen op het gezag en de omgang. In januari 2019 is de moeder met [minderjarige] naar Nederland verhuisd, nadat zij daarvoor toestemming had gekregen van de rechtbank in Brazilië. In november 2021 is ook de vader naar Nederland verhuisd. Ook in Nederland zijn de ouders in procedures verwikkeld geraakt. Op enig moment, in januari 2020, is het de ouders gelukt om afspraken te maken in een vaststellingsovereenkomst, maar daarover waren zij het later niet langer eens. In februari 2022 heeft de rechtbank de ouders verwezen naar hulpverlening voor begeleide omgang en de raad verzocht onderzoek te doen. Vervolgens heeft de rechtbank in april 2022 bepaald dat de moeder de vader eenmaal per maand moet informeren over [minderjarige] . Daarna achtte de rechtbank nader onderzoek ten aanzien van de omgang nodig en is in mei 2023 een bijzondere curator benoemd. De bijzondere curator heeft op 30 november 2023 gerapporteerd op dat moment geen mogelijkheden te zien voor [minderjarige] om op een onbelaste wijze contact op te bouwen met zijn vader. Vervolgens heeft de bijzondere curator [minderjarige] opnieuw gesproken in de aanloop naar de zitting bij het hof, op 13 oktober 2025. Ter zitting heeft zij verslag gedaan van dat gesprek en mede op grond daarvan het hof geadviseerd om geen omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen.
5.8
Het hof is het met de bijzondere curator en de raad eens dat nu geen omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] moet worden vastgesteld. Bij [minderjarige] bestaat te weinig draagvlak voor contact. [minderjarige] heeft sinds de beëindiging van de relatie van de ouders bij de moeder gewoond en de afgelopen jaren is er geen contact tussen hem en de vader geweest. Sinds 19 september 2023 heeft de bijzondere curator verschillende gesprekken met [minderjarige] gehad, waarin hij steeds heeft laten blijken geen contact te willen met zijn vader. Toen de bijzondere curator [minderjarige] recentelijk opnieuw sprak, bleek dat onveranderd. Ook tijdens het kindgesprek bij het hof kwam naar voren dat [minderjarige] niet openstaat voor contact. Gebleken is dat bij [minderjarige] weerstand bestaat ten aanzien van het contact met zijn vader en hij wil zich daarmee niet langer bezig hoeven te houden. Zowel de bijzondere curator als de raad heeft verklaard dat het beroep dat op [minderjarige] is gedaan bij de strijd tussen de ouders groot is geweest en dat effect op hem heeft gehad. Het hof acht het dan ook van belang dat [minderjarige] nu rust krijgt. Daarbij is het aannemelijk dat het afdwingen van contact averechts zal werken. Verder ziet het hof dat ook bij de moeder, vanwege haar traumaverwerking, nog onvoldoende draagvlak bestaat voor de omgang. Met de bijzondere curator en de raad ziet het hof dat contact zonder emotionele toestemming van de moeder [minderjarige] te veel verantwoordelijkheid zou geven en dat is niet in zijn belang. Vaststelling van een omgangsregeling is op dit moment dan ook in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] .
5.9
Verder is het hof, net als de rechtbank, gebleken dat de hulpverlening die eerder is ingezet voor contactherstel een zware belasting voor [minderjarige] was. Daar komt bij dat het niet zijn verantwoordelijkheid is om daarmee bezig te zijn. Het is aan de ouders om ruimte te creëren voor herstel van de verbinding met de vader. Om dat te bewerkstelligen is het dan ook nodig dat op ouderniveau hulpverlening wordt ingezet. Beide ouders zullen zich moeten inspannen om daarvoor een opening te creëren. Daarbij zou het helpend zijn als ook de vader, net als de moeder heeft gedaan, individuele hulp inschakelt. Dat zou er ook toe kunnen leiden dat bij de moeder meer draagvlak ontstaat om samen met de vader hulp aan te gaan. Het voorgaande neemt niet weg dat het hof ziet dat de vader zich heeft ingezet voor contact met [minderjarige] onder meer door naar Nederland te verhuizen en het hof acht zijn verdriet over de ontstane situatie invoelbaar.
5.1
Concluderend ziet het hof nu geen mogelijkheid voor het vaststellen van een omgangsregeling. Gelet op het voorgaande is ook de inzet van forensische mediation of een ondertoezichtstelling niet mogelijk. Het hof zal het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te bepalen dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.11
Het hof merkt nog op dat het voorgaande niet betekent dat in de toekomst geen omgang kan plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] . Als de omstandigheden wijzigen, zoals wanneer [minderjarige] ouder is en bij hem wel ruimte ontstaat voor contactherstel (al dan niet als gevolg van hulp op ouderniveau), zou contact wel haalbaar kunnen zijn. Daarbij kan het helpend zijn dat [minderjarige] nu rust wordt geboden, omdat daardoor bij hem mogelijkerwijs in de toekomst meer ruimte kan ontstaan om de vader een rol te laten hebben in zijn leven.
5.12
Verder benadrukt het hof dat het van belang is dat de moeder blijft voldoen aan de informatieregeling. Dat is voor de vader de enige manier om informatie te krijgen over [minderjarige] , nu er al langere tijd geen contact meer is en voorlopig ook geen omgangsregeling zal gelden. Door het krijgen van informatie kan de vader een band met [minderjarige] behouden en kan hij beter bij hem aansluiten als op enig moment alsnog contactherstel kan plaatsvinden. Het is dan ook belangrijk dat de moeder zich inzet om met grote regelmaat zoveel mogelijk informatie over [minderjarige] aan de vader te verstrekken.
5.13
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. P.F.E. Geerlings en
mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op
16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.