In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Amsterdam, gaat het om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige]. De vader heeft in hoger beroep verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, de inschrijving op een school in [plaats A] te regelen en een zorgregeling vast te stellen. De rechtbank Amsterdam had eerder deze verzoeken afgewezen in een beschikking van 27 december 2024. De vader is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld op 25 maart 2025. De moeder steunt de eerdere beslissing van de rechtbank en heeft geen verweerschrift ingediend. Tijdens de zitting op 9 oktober 2025 zijn verschillende betrokkenen gehoord, waaronder de vader, de moeder, hun advocaten en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling (GI). De Raad voor de Kinderbescherming heeft ook een adviserende rol gespeeld in deze zaak.
Het hof heeft vastgesteld dat de vader en de moeder sinds 2011 gehuwd zijn geweest en dat hun huwelijk in 2016 is ontbonden. De minderjarige is in 2011 geboren en de ouders oefenen gezamenlijk gezag uit. De moeder heeft de Braziliaanse nationaliteit, terwijl de vader en de minderjarige de Nederlandse nationaliteit hebben. De zaak heeft een internationaal karakter, wat van invloed is op de rechtsmacht. Het hof heeft de verzoeken van de vader afgewezen, omdat het in het belang van de minderjarige is dat hij in een neutrale omgeving verblijft, waar hij de nodige begeleiding en structuur kan krijgen. De vader heeft onvoldoende verantwoordelijkheid genomen voor de opvoeding en de ontwikkeling van de minderjarige, wat heeft geleid tot zorgen over zijn welzijn. Het hof heeft de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd, met de verwachting dat de GI de situatie van de minderjarige verder zal onderzoeken en de nodige hulpverlening zal inzetten.