ECLI:NL:GHAMS:2025:3420

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.352.704/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats van minderjarige in het belang van de ontwikkeling en stabiliteit

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Amsterdam, gaat het om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige]. De vader heeft in hoger beroep verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, de inschrijving op een school in [plaats A] te regelen en een zorgregeling vast te stellen. De rechtbank Amsterdam had eerder deze verzoeken afgewezen in een beschikking van 27 december 2024. De vader is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld op 25 maart 2025. De moeder steunt de eerdere beslissing van de rechtbank en heeft geen verweerschrift ingediend. Tijdens de zitting op 9 oktober 2025 zijn verschillende betrokkenen gehoord, waaronder de vader, de moeder, hun advocaten en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling (GI). De Raad voor de Kinderbescherming heeft ook een adviserende rol gespeeld in deze zaak.

Het hof heeft vastgesteld dat de vader en de moeder sinds 2011 gehuwd zijn geweest en dat hun huwelijk in 2016 is ontbonden. De minderjarige is in 2011 geboren en de ouders oefenen gezamenlijk gezag uit. De moeder heeft de Braziliaanse nationaliteit, terwijl de vader en de minderjarige de Nederlandse nationaliteit hebben. De zaak heeft een internationaal karakter, wat van invloed is op de rechtsmacht. Het hof heeft de verzoeken van de vader afgewezen, omdat het in het belang van de minderjarige is dat hij in een neutrale omgeving verblijft, waar hij de nodige begeleiding en structuur kan krijgen. De vader heeft onvoldoende verantwoordelijkheid genomen voor de opvoeding en de ontwikkeling van de minderjarige, wat heeft geleid tot zorgen over zijn welzijn. Het hof heeft de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd, met de verwachting dat de GI de situatie van de minderjarige verder zal onderzoeken en de nodige hulpverlening zal inzetten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.352.704/01
zaaknummer rechtbank: C/13/754471 / FA RK 24/4974 (LN/JK)
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M. Bou-Asrar te Leeuwarden,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. G. Öntas te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
Verder heeft het hof als informant aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Almere (hierna: de GI), locaties [plaats C] en [plaats A] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , de inschrijving van [minderjarige] op een school en de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] .
1.2
De rechtbank Amsterdam heeft in een beschikking van 27 december 2024 (hierna: de bestreden beschikking) de verzoeken van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem in [plaats A] te bepalen, [minderjarige] op een school in [plaats A] in te schrijven en een zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder te bepalen, afgewezen.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat zijn verzoeken alsnog worden toegewezen. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. Het hof zal de verzoeken van de vader, net de als de rechtbank, afwijzen en legt hierna uit waarom.
2. De procedure in hoger beroep
2.1
De vader is op 25 maart 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn verder nog de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de vader van 23 juni 2025, met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 7 oktober 2025;
- een bericht van de zijde van de moeder van 8 oktober 2025, met bijlage.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken, in aanwezigheid van de griffier. Tijdens de zitting heeft de voorzitter een korte en zakelijke samenvatting van het gesprek gegeven.
2.5
De zitting heeft op 9 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de partner van de moeder, de heer [naam] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, locatie [plaats A] , via een videoverbinding;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw I. Stuifbergen;
De vertegenwoordiger van de GI, locatie Amsterdam , is met bericht van verhindering niet verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn [in] 2011 gehuwd. Hun huwelijk is op 8 januari 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 december 2015 in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk is [in] 2011 [minderjarige] geboren in [plaats C] . De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
3.2
De moeder heeft de Braziliaanse nationaliteit. De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2020 is - voor zover hier van belang - de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en is een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld. Vervolgens is bij beschikking van dit hof van 19 oktober 2021 bepaald dat [minderjarige] een keer in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 18.00 uur bij de vader verblijft, waarbij hij [minderjarige] haalt en brengt.
3.4
Op 6 mei 2024 heeft een incident plaatsgevonden bij de moeder thuis, waarna [minderjarige] naar de vader in [plaats A] is gegaan.
3.5
Bij beschikking van 13 juni 2024 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is [minderjarige] (voorlopig) onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst tot 21 augustus 2026.
3.6
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 juni 2024 is de vader veroordeeld [minderjarige] binnen 24 uur terug te brengen naar de moeder en de zorgregeling na te komen, beide op straffe van een dwangsom.
3.7
Bij mondelinge beslissing van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2024 is [minderjarige] met een spoedmachtiging voor de duur van twee weken uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg, tot 5 juli 2024. [minderjarige] is op 28 juni 2024 weer teruggekeerd bij de moeder.
3.8
Bij (tussen)beschikking van 9 september 2024 heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de verzoeken van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem in [plaats A] te bepalen, [minderjarige] op een school in [plaats A] in te schrijven en een zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder te bepalen, aangehouden voor de duur van vier maanden in afwachting van de inzet en het verloop van het hulpverleningstraject, om zicht te krijgen op de situatie van [minderjarige] .
3.9
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verleend met ingang van 7 juli 2025 tot 30 augustus 2025. Daarna is op 28 augustus 2025 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie, het gezinshuis van [X] in [plaats B] , met ingang van 1 september 2026 tot 21 augustus 2026.
3.1
[minderjarige] verblijft sinds 5 september 2025 in het gezinshuis van [X] in [plaats B] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de navolgende verzoeken van de vader afgewezen:
  • de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem vast te stellen;
  • hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de middelbare school [school] in [plaats A] ;
  • te bepalen dat [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen bij de moeder verblijft van vrijdagmiddag na school tot zondag 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,
  • te bepalen dat [minderjarige] hoofdverblijf zal verkrijgen op het woonadres van de vader;
  • de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de middelbare school [school] te [plaats A] ;
  • een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] - indien zijn hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald - eenmaal in de veertien dagen bij de moeder verblijft van vrijdagmiddag na school tot zondag 18.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties, waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als het hof juist acht.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, aldus de moeder ter zitting in hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Omdat de moeder de Braziliaanse nationaliteit heeft, draagt de zaak een internationaal karakter. Het hof stelt ambtshalve vast dat ten aanzien van het onderhavige geschil de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (Brussel II ter). De rechtbank heeft bij de beoordeling van de verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof dat ook zal doen.
Wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan, voor zover hier van belang, omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, en
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
5.3
In deze zaak is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van de hierboven genoemde wetsartikelen, zodat het hof een beslissing kan nemen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling. Het hof neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt (artikel 1:253a lid 1 BW).
Standpunten
5.4
De vader stelt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] ten onrechte niet bij hem is bepaald en voert hiertoe het volgende aan. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij zich niet veilig voelt bij de moeder en de stiefvader thuis. Na het incident op 6 mei 2024 heeft hij verteld dat hij vanaf zijn achtste jaar wordt geslagen door de moeder en de stiefvader en dat er ook veel tegen hem geschreeuwd wordt. De vader maakt zich ernstige zorgen om [minderjarige] en wil daarom dat [minderjarige] bij hem komt wonen. [minderjarige] is met een machtiging uit huis geplaatst omdat hij niet langer bij de moeder en de stiefvader kon blijven wonen, maar de vader heeft geen kans gekregen om te laten zien dat het bij hem thuis wel goed genoeg is voor [minderjarige] . Er is niet of nauwelijks hulpverlening in zijn thuissituatie ingezet. De hulpverlening die er was (Comfortzorg) was positief. De vader voelt zich niet erkend in zijn rol als vader. Hij wil dat de GI serieus gaat onderzoeken hoe de situatie bij hem thuis is en wat de mogelijkheden zijn voor terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader. Indien [minderjarige] bij de vader zal gaan wonen, dan laat de vader hem vrij om contact met de moeder en zijn halfzusje te hebben. Om die reden heeft de vader ook verzocht een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen.
5.5
De moeder staat achter de bestreden beschikking. Zij betwist dat er geen serieus onderzoek is gedaan naar de vraag of [minderjarige] bij de vader kan wonen. Gebleken is dat de vader [minderjarige] niet de zorg kan geven die hij nodig heeft. [minderjarige] krijgt bij de vader onvoldoende begeleiding en structuur en laat zelfbepalend gedrag zien. Daarnaast beïnvloedt de vader het beeld dat [minderjarige] heeft van de moeder. Er is bij hem sprake van een ernstig loyaliteitsconflict en hij heeft nu gekozen voor contact met alleen de vader. Als [minderjarige] bij de vader zou gaan wonen, is de kans groot dat zijn contact met de moeder niet kan worden hersteld. Het is goed dat [minderjarige] nu op een neutrale plek woont en hulp en begeleiding krijgt. Hij heeft rust en ruimte nodig om aan zichzelf te werken.
Advies raad
5.6
De raad heeft tijdens de zitting het volgende verklaard. [minderjarige] is beschadigd geraakt door het jarenlange getouwtrek tussen de ouders. Er blijft vanuit de vader negativiteit bestaan over de opvoedsituatie bij de moeder en andersom wellicht ook. Bij de ouders mist het inzicht dat het niet goed is voor [minderjarige] om hem te belasten met volwassenzaken en met wat er speelt tussen de ouders. [minderjarige] zit klem tussen de ouders en heeft uit loyaliteit gekozen voor de vader. Het is goed dat [minderjarige] nu op een neutrale plek verblijft en rust en hulp krijgt. Hopelijk leidt dit ertoe dat het contact tussen [minderjarige] en allebei de ouders enigszins neutraliseert en gelijk getrokken wordt. Het is in het belang van [minderjarige] om nu niets te veranderen aan zijn verblijfplaats en om de ontwikkeling van [minderjarige] en de hulpverlening zijn werk te laten doen.
Beoordeling hof
5.7
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. [minderjarige] is een veertienjarige jongen, die al jarenlang klem zit in de strijd tussen zijn ouders. De ouders voeren sinds 2018 juridische procedures over onder andere de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling. Dit heeft in 2019 al geleid tot een ondertoezichtstelling van [minderjarige] gedurende een jaar vanwege zorgen over onder andere loyaliteitsproblemen bij [minderjarige] en een gebrek aan rust en stabiliteit. In juni 2024 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld vanwege ernstige zorgen over zijn ontwikkeling, waarbij de grootste zorgen waren dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders en dat hij niet naar school ging. [minderjarige] gaf destijds aan dat hij niet langer bij zijn moeder wilde wonen, mede vanwege problemen tussen hem en zijn stiefvader. Hij heeft toen tijdelijk bij de vader in [plaats A] gewoond, waar hij niet naar school ging. Na een kort geding procedure en een spoeduithuisplaatsing bij een pleeggezin is [minderjarige] eind juni 2024 weer bij de moeder en de stiefvader gaan wonen.
De rechtbank heeft vervolgens de hierboven onder 3.8 genoemde tussenbeschikking gegeven en in november 2024 is bij de moeder en de stiefvader thuis gezinsbegeleiding ingezet vanuit iHub familiezorg. Bij de vader was Comfortzorg betrokken voor begeleide omgang met [minderjarige] , maar de noodzakelijk geachte hulpverlening in de thuissituatie van de vader is niet van de grond gekomen. Vanwege aanhoudende zorgen over de situatie van [minderjarige] bij de moeder thuis is hij met ingang van 7 juli 2025 uit huis geplaatst, in eerste instantie bij de vader. De GI heeft naar aanleiding hiervan echter geconcludeerd dat verblijf bij de vader niet geschikt is voor [minderjarige] . De vader neemt volgens de GI onvoldoende verantwoordelijkheid voor de nodige opvoedingstaken, zoals het contact met de school van [minderjarige] . Daarnaast belast hij [minderjarige] met volwassenzaken, waardoor hij onbedoeld betrokken raakt bij de strijd tussen de ouders. [minderjarige] is begin september 2025 overgeplaatst naar een gezinshuis van [X] in [plaats B] . De kinderrechter heeft in haar beschikking van 28 augustus 2025 (hierboven genoemd onder 3.9) overwogen dat [minderjarige] bij de vader zelfbepalend is en onvoldoende structuur en begeleiding krijgt, waardoor hij zich niet kan richten op zijn ontwikkelingstaken. Daarnaast is het de vraag of het contact met de moeder hersteld kan worden zolang hij bij de vader woont gelet op de loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige] . Zowel de GI als de kinderrechter achten een neutrale woonplek aangewezen voor [minderjarige] , waar hij in alle rust kan toekomen aan zijn ontwikkelingstaken en contactherstel met de moeder.
Het hof onderschrijft dit en acht een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , gelet op het voorgaande, niet in zijn belang. Het hof zal het verzoek van de vader hiertoe dan ook afwijzen en daarmee ook zijn verzoeken om [minderjarige] op een school in [plaats A] in te schrijven en een zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder te bepalen. De bestreden beschikking zal dus worden bekrachtigd. Het hof gaat ervan uit dat de GI alles in het werk zal stellen om het perspectief van [minderjarige] te onderzoeken en zo nodig hulpverlening voor beide ouders en [minderjarige] zal inzetten.
5.8
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.