ECLI:NL:GHAMS:2025:3424

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/222
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake WOZ-waarde van horecagelegenheid in Amsterdam

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de WOZ-waarde van een horecagelegenheid in Amsterdam. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde vastgesteld op € 281.000 voor het kalenderjaar 2021, met als waardepeildatum 1 januari 2020. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze vaststelling, maar de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de belanghebbende opnieuw betoogd dat de waarde te hoog is vastgesteld en dat de heffingsambtenaar niet voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de niet-woning en de referentieobjecten. Het Hof heeft de argumenten van de belanghebbende beoordeeld en geconcludeerd dat de heffingsambtenaar de waarde voldoende heeft onderbouwd. Het Hof heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar de huurwaardekapitalisatiemethode correct heeft toegepast en dat de waarde van de niet-woning niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank heeft ook de verzoeken van de belanghebbende om schadevergoeding en proceskosten afgewezen. De uitspraak van de rechtbank is bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/222
11 november 2025
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 23 januari 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/1592 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 januari 2022 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] te [Z] (hierna: de niet-woning) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 281.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 (OZB) en de aanslag reinigingsrecht 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 3 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank door middel van een beroepschrift, ingekomen bij de rechtbank op 15 maart 2023. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld op 29 januari 2024.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend met dagtekening 5 juni 2024.
1.5.
Belanghebbende heeft met dagtekening 12 juni 2025 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft tevens nadere stukken ingediend met dagtekening 2 juli 2025 en 3 juli 2025, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 7 juli 2025 en 8 juli 2025.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De niet-woning wordt gebruikt als een horecagelegenheid (bar/café/restaurant) en is in 1891 gebouwd. De niet-woning heeft een primaire oppervlakte van 79 m².
2.2.
De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg onder meer een taxatieverslag en een waardematrix overgelegd.
2.3.
De heffingsambtenaar heeft door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode de door hem vastgestelde waarde van de niet-woning onderbouwd. De heffingsambtenaar heeft de door hem getaxeerde huurwaarde afgeleid uit de huurwaardes van huurtransacties van een aantal referentieobjecten aangegaan rond waardepeildatum (huurreferentieobjecten). Daarnaast heeft de heffingsambtenaar een kapitalisatiefactor afgeleid uit verkooptransacties van referentieobjecten die rond de waardepeildatum in niet verhuurde staat zijn verkocht (dit zijn andere objecten dan de objecten van de huurtransacties) (koopreferentieobjecten) volgens de zogenoemde ‘top-down’-methode een gemiddelde, waarop de getaxeerde kapitalisatiefactor is gebaseerd.
2.4.
Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift opgenomen:
“Betreft: WOZ/OZB 2021 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook.”
2.5.
Belanghebbende heeft in het beroepschrift waarmee hij beroep heeft ingesteld bij de rechtbank en het beroepschrift waarmee hoger beroep is ingesteld verzocht hetgeen in eerdere stukken opgenomen als ingelast en herhaald te beschouwen.
2.6.
Het nadere stuk ingekomen bij het Hof op 7 juli 2025 betreft een uitgedraaide e-mail, samen met een bijlage opgestuurd per fysieke post. Als bijlage is toegevoegd een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3430). Als begeleidende tekst heeft belanghebbende het volgende opgenomen:
“Verzoek u nadrukkelijk c.q. dringend de inhoud en strekking van dit arrest, sedert kort nieuwe heersende jurisprudentie, bij de behandeling van ALLE lopende appelberoepsprocedures te uwent te betrekken alszijnde een aanvullende -nader onderbouwde - hoger beroepsgrond.”

3.Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de niet-woning niet te hoog heeft vastgesteld. Verder is in geschil of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met artikel 40, lid 2, Wet WOZ en/of artikel 8:42 Awb.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘ [X] ’):
“4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
5. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft de waarde van het object vastgesteld door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de jaarhuur wordt vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. Hij is daarbij uitgegaan van een bruto huurwaarde van € 21.614,- per jaar (huurwaarde € 274,-/m²). De heffingsambtenaar heeft om de huurwaarde van dit object te onderbouwen een vergelijking gemaakt met gerealiseerde huurprijzen uit de markt van drie soortgelijke horecagelegenheden in de [straat] te [Z] rondom de waardepeildatum. Voor de kapitalisatiefactor is de heffingsambtenaar uitgegaan van 13,0. De heffingsambtenaar heeft de kapitalisatiefactor bepaald door verkoopcijfers van drie vergelijkbare horeca-objecten in [Z] -Centrum en [Z] -Zuid te delen door getaxeerde huurwaarden. De gemiddelde kapitalisatiefactor van die drie verkopen was 14,1.
6. [X] heeft gesteld dat geen van de objecten waarvan de huurcijfers in aanmerking zijn genomen door de heffingsambtenaar, goed vergelijkbaar is met haar horeca-object.
De rechtbank verwerpt dit betoog. Het is weliswaar juist dat deze vergelijkingsobjecten enigszins kleiner zijn dan het object van [X] , maar voor het overige (ligging, bouwjaar, omvang, op de begane grond gelegen in dezelfde straat) zijn deze objecten goed, althans in voldoende mate vergelijkbaar. Uit de omstandigheid dat de vergeleken huurobjecten enigszins kleiner zijn, vloeit verder op zichzelf niet dwingend voort dat de voor het object in aanmerking genomen huurprijs (€ 274,-/m²) op een te hoog bedrag is gesteld. De vergelijkingshuren zijn immers veel hoger (€ 488,-/m², € 378,-/m² en € 525,-/m²) en [X] heeft niet onderbouwd dat dat grote verschil kan worden verklaard door het geringe verschil in oppervlakte.
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de door hem voorgestane waarde van de onroerende zaak op overtuigende wijze heeft onderbouwd met behulp van de overgelegde matrix. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft er op de zitting verder op gewezen dat de getaxeerde m²-prijs van het object neerkomt op € 3.557,-, terwijl de gemiddelde m²-prijs van de verkooptransacties € 7.171,- is. Ook dit wijst erop dat de vastgestelde waarde met € 281.000,- niet te hoog is vastgesteld.
8. Het beroep tegen de bestreden uitspraak op bezwaar is ongegrond.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
9. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht is bij die uitkomst geen aanleiding.
Immateriële schadevergoeding
10. [X] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
11. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op 2 februari 2022. Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden. Daarom heeft [X] geen recht op een vergoeding.”

5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Betalingsonmacht griffierecht
5.1.
Belanghebbende heeft ook in hoger beroep herhaaldelijk een beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht gedaan. Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 18 november 2022 medegedeeld dat het in het vervolg uitsluitend beroepen op betalingsonmacht in behandeling zal nemen waarbij direct een voor de desbetreffende zaak correct en volledig daartoe bestemd ingevuld formulier wordt meegestuurd, dan wel waarbij direct volledig en correct de gegevens worden verstrekt die het nodig heeft om het beroep op betalingsonmacht inhoudelijk te kunnen beoordelen. Omdat het verzoek van belanghebbende niet is onderbouwd, is dit door het Hof gepasseerd en behoeft het geen behandeling meer.
Formele verzoeken
5.2.
In zogeheten ‘pinpoint brieven’ ingekomen bij het Hof op 12 juni 2025 en 7 juli 2025 heeft belanghebbende een reeks klachten van formele aard geformuleerd, voornamelijk bestaande uit in algemene bewoordingen gestelde verzoeken om het verkrijgen van gedingstukken, zoals het taxatieverslag, proces-verbaal en de huurovereenkomsten of zogenoemde huurinformatieformulieren van de referentieobjecten. Het Hof is van oordeel dat deze klachten feitelijke grondslag missen. Belanghebbende heeft de hiervoor genoemde op de zaak betrekking hebbende stukken reeds ontvangen.
5.3.
Belanghebbende heeft verder ter zitting en in zijn stukken geklaagd dat het taxatierapport van de niet-woning, i-WOZ rapporten van de referentieobjecten en het ‘verantwoordingsdocument WOZ’ niet aan hem zijn verstrekt. De heffingsambtenaar heeft over deze stukken verklaard dat hij ze ofwel niet gebruikt heeft bij de vaststelling van de waarde van de niet-woning ofwel niet bestaan waardoor hij deze niet kon verstrekken. Het Hof oordeelt als volgt.
5.4.1.
Het Hof stelt voorop dat voor het onderbouwen van de waarde een vrije bewijsleer geldt. Artikel 40, tweede lid, Wet WOZ en artikel 8:42 Awb strekken er niet toe dat de heffingsambtenaar gegevens verstrekt waar hij geen toegang toe heeft of die (nog) niet bestaan. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat er geen taxatierapport is opgesteld omdat hij de waarde voldoende onderbouwd acht op basis van de aan belanghebbende verstrekte waardematrix en de overigens verstrekte gegevens. Het Hof ziet geen reden om aan deze uitlating van de heffingsambtenaar te twijfelen en deze stelling is ook niet door belanghebbende betwist. De heffingsambtenaar was aldus niet gehouden een taxatierapport te verstrekken aan belanghebbende omdat het niet bestaat.
5.4.2.
De heffingsambtenaar heeft over de i-WOZ rapporten gesteld dat die niet verstrekt zijn omdat die niet gebruikt zijn om de waarde van de niet-woning te onderbouwen en ook niet aan de heffingsambtenaar ter beschikking stonden. Het Hof acht die stelling van de heffingsambtenaar geloofwaardig mede omdat de heffingsambtenaar tevens verklaard heeft dat secundaire objectkenmerken, die onderbouwd kunnen worden met de i-WOZ rapporten, minder van belang zijn bij niet-woningen. Bij niet-woningen is volgens de taxateur vooral de grootte van de oppervlakte van het object van belang. Belanghebbende heeft dit niet tegengesproken. Ook overigens biedt het dossier geen aanleiding om aan te nemen dat de heffingsambtenaar i-WOZ rapporten heeft gebruikt. De heffingsambtenaar was aldus niet gehouden de i-WOZ kaarten te verstrekken omdat die niet ten grondslag hebben gelegen aan de initiële waardebepaling van de niet-woning en geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.
5.4.3.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat een ‘verantwoordingsdocument WOZ’ niet bestaat voor het desbetreffende belastingjaar. De gemeente [Z] heeft pas vanaf belastingjaar 2023 een verantwoordingsdocument opgesteld.
De verantwoordingsdocumenten die de daarop volgende jaren zijn gepubliceerd, geven slechts een toelichting op de gekozen methodiek in dat specifieke belastingjaar. Belanghebbende heeft dit niet tegengesproken. Omdat voor het onderhavige belastingjaar een dergelijk document niet bestaat was de heffingsambtenaar niet gehouden die te verstrekken.
De waarde van de niet-woning
5.5.
Op grond van artikel 17, lid 2, Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan een onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed.
5.6.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar op grond van de door hem overgelegde waardematrix, de daarin vermelde gegevens van de niet-woning en de referentieobjecten, alsmede zijn daarop gegeven toelichting, gewogen tegen hetgeen belanghebbende hiertegen heeft ingebracht, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de niet-woning niet te hoog is vastgesteld.
5.7.
Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de niet-woning en de referentieobjecten. Volgens belanghebbende hebben objecten met een groter oppervlakte
een lagere waarde per m² en kan de niet-woning daarom niet vergeleken worden met die huurreferentieobjecten omdat die laatste veel kleiner zijn. De (taxateur van de) heffingsambtenaar heeft hiertegenover gesteld dat de grootte van de oppervlakte van niet-woningen geen duidelijk verband heeft met de prijs per m² van niet-woningen; grotere niet-woningen leveren per m² ongeveer evenveel op als kleinere niet-woningen.
Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de niet-woning en de referentieobjecten. Het Hof acht de verklaring van de taxateur van de heffingsambtenaar geloofwaardig en gaat af op zijn deskundigheid. Belanghebbendes stelling dat grotere objecten per m² minder waard zijn heeft hij tegenover de betwisting van die stelling door de heffingsambtenaar niet onderbouwd.
Voor zover er al rekening gehouden moet worden met een verschil in prijs per m² voor grotere objecten, is dit ruim voldoende is verdisconteerd in de gekozen lagere huurwaarde en kapitalisatiefactor. De heffingsambtenaar heeft bij de toepassing van de huurwaardekapitalisatiemethode de huurwaarde van de niet-woning lager vastgesteld dan de gemiddelde huurwaarden van de referentieobjecten. De gehanteerde kapitalisatiefactor is bovendien substantieel lager dan de uit de koopreferentieobjecten afgeleide gemiddelde kapitalisatiefactor.
5.8.
Belanghebbende heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat de heffingsambtenaar bij het toepassen van de huurwaardekapitalisatiemethode geen of in ieder geval onvoldoende rekening heeft gehouden met het leegstandsrisico van de niet-woning. De heffingsambtenaar heeft bij het berekenen van de kapitalisatiefactor evenwel slechts koopreferentieobjecten gebruikt die in niet-verhuurde staat zijn verkocht. De leegstand doet zich bij die referentieobjecten al voor en de koper van dat object kan geacht worden een periode zonder huurder te hebben betrokken in de koopprijs. De heffingsambtenaar heeft het leegstandsrisico derhalve in de waardebepaling verdisconteerd.
5.9.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de waarde onvoldoende rekening heeft gehouden met een waardedrukkende effect door COVID-19. De heffingsambtenaar heeft dit gemotiveerd weersproken. Het Hof oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van COVID-19. De heffingsambtenaar heeft referentieobjecten aangedragen die zowel voor als na de waardepeildatum verhuurd of verkocht zijn. Daarmee kunnen de gevolgen van COVID-19, voor zover die op waardepeildatum (1 januari 2020) al van invloed zouden zijn geweest, geacht worden te zijn verdisconteerd in de waarde van de niet-woning.
5.10.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde van de niet-woning naar het oordeel van het Hof voldoende onderbouwd. Hetgeen belanghebbende overigens nog naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel.
Reinigingsrecht
5.11.1.
Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof zijn nader stuk met als bijlage een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3430) toegelicht. Volgens belanghebbende had de heffingsambtenaar aannemelijk moeten maken dat de opbrengstlimiet voor het reinigingsrecht niet is overschreden. De heffingsambtenaar heeft daaromtrent verklaard dat hij zich niet voorbereid heeft op deze grond van belanghebbende en niet meer in staat is op een dergelijke korte termijn te onderbouwen dat de kostenlimiet niet is overschreden. Daarvoor is een onderzoek van feitelijke aard noodzakelijk.
5.11.2.
Het Hof overweegt als volgt. Belanghebbende heeft voorafgaand aan het kort voor de zitting ingediende nadere stuk, geen gronden gericht tegen de opgelegde beschikking reinigingsrecht. Ook heeft belanghebbende niet geklaagd dat de uitspraak op bezwaar of de uitspraak van de rechtbank op dit punt onvolledig zou zijn. In het begeleidend schrijven bij de daarbij meegezonden uitspraak is geen toelichting geboden op de specifieke relevantie van de meegezonden uitspraak voor de onderhavige zaak. Door slechts in zeer algemene bewoordingen te verwijzen naar een uitspraak, zonder de specifieke relevantie van die uitspraak voor de onderhavige zaak, anders dan – en dan nog summier – ter zitting, toe te lichten, heeft belanghebbende niet voldaan aan haar stelplicht en substantiëringsplicht. Onder deze omstandigheden acht het Hof het in strijd met een behoorlijke procesorde, om van de heffingsambtenaar ter zitting te verlangen dat hij bewijst dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Gezien de wijze waarop belanghebbende dit punt in geding heeft gebracht heeft het Hof geen reden gezien om de behandeling aan te houden voor nader onderzoek.
Dit leidt ertoe dat de klacht faalt.
Slotsom
5.12.
De slotsom is dat het beroep ongegrond is.

6.Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, N. Djebali en E.A.M. Huiskers-Stoop, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 11 november 2025 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is ondertekend door de oudste raadsheer.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: