ECLI:NL:GHAMS:2025:3442

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.354.056/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bewindvoering en verzoek tot ontslag bewindvoerder

In deze zaak gaat het om de vraag of het bewind over de goederen van de betrokkene moet eindigen en of er een andere bewindvoerder moet worden benoemd. De betrokkene, geboren in 1962, is sinds 8 oktober 2024 geregistreerd partner van [naam 3]. De kantonrechter in Haarlem heeft op 11 februari 2025 het verzoek van de betrokkene om het bewind op te heffen of een andere bewindvoerder te benoemen afgewezen. De betrokkene is het daar niet mee eens en heeft op 30 april 2025 hoger beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 31 oktober 2025 heeft de betrokkene verklaard dat hij sinds september 2024 schuldenvrij is en dat hij in staat is zijn financiën zelf te beheren. De bewindvoerder, [naam 1], heeft echter betoogd dat de betrokkene nog steeds beïnvloedbaar is en dat het bewind noodzakelijk blijft. Het hof heeft vastgesteld dat de psychische problematiek van de betrokkene nog aanwezig is en dat het risico op misbruik van zijn financiële situatie te groot is om het bewind op te heffen. Het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder en benoeming van [naam 3] als opvolgend bewindvoerder is eveneens afgewezen, omdat er geen gewichtige redenen zijn aangevoerd voor dit verzoek. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en het verzoek van de betrokkene afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.354.056/01
zaaknummer rechtbank: 11347393 BM VERZ 24-2631 KVG
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de betrokkene,
advocaat: mr. B.E.C. de Jong te Amsterdam,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [naam 1] en [naam 2] , h.o.d.n. MeerVida, voorheen bekend onder de naam MEER Beschermingsbewind, en
- [naam 3] (hierna: [naam 3] ).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag of het bewind moet eindigen en zo nee, of er een andere bewindvoerder moet komen.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Haarlem (hierna: de kantonrechter) heeft in een beschikking van 11 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de betrokkene om het bewind over zijn goederen op te heffen, dan wel een andere bewindvoerder te benoemen, afgewezen.
De betrokkene is het daar niet mee eens en wil dat het bewind wordt opgeheven of dat zijn partner tot bewindvoerder wordt benoemd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De betrokkene is op 30 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Bij akte van 28 juli 2025 heeft de betrokkene zijn verzoek gewijzigd.
2.2
[naam 1] heeft op 14 juli 2025 een zienswijze op het hoger beroep ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de betrokkene van 5 juni 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de betrokkene van 27 oktober 2025 met bijlage,
- een bericht van de zijde van [naam 1] van 29 oktober 2025 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 31 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de betrokkene, bijgestaan door mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam,
- [naam 1] en [naam 4] namens MeerVida (hierna: de bewindvoerder), en
- [naam 3] .

3.De feiten

3.1
De betrokkene is geboren [in] 1962. Hij is sinds 8 oktober 2024 de geregistreerd partner van [naam 3] .
3.2
De kantonrechter heeft op 14 augustus 2019 het bewind ingesteld als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand van de betrokkene, met benoeming van [naam 1] , destijds h.o.d.n. IVS Financieel Beheer, tot bewindvoerder.
Na een wijziging van de handelsnaam heeft de kantonrechter [naam 1] en [naam 2] h.o.d.n. MEER Beschermingsbewind tot bewindvoerders benoemd (zowel tezamen als ieder afzonderlijk bevoegd).

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de betrokkene afgewezen. De betrokkene had primair verzocht om het bewind over de goederen die hem (zullen) toebehoren op te heffen en subsidiair om de bewindvoerder(s) te ontslaan en [naam 3] tot opvolgend bewindvoerder te benoemen.
4.2
De betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.
4.3
De bewindvoerder verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Wettelijk kader opheffing bewind
5.1
Uit artikel 1:449, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het bewind kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
Standpunt betrokkene
5.2
De betrokkene was sinds 1995 werkzaam als budgetconsulent en heeft in 2015 een psychose gekregen. Sindsdien is hij niet meer in staat tot werken en ontvangt hij een WIA-uitkering. Door verlies van zijn inkomen is een schuld ontstaan; de betrokkene heeft toen vrijwillig hulp gezocht bij een bewindvoerder.
De betrokkene is tevreden met de wijze waarop de bewindvoerder het bewind voert, maar hij meent dat hij nu weer zelf zijn financiën kan beheren. In september 2024 is hij schuldenvrij verklaard. De betrokkene acht een bewind dan ook niet langer noodzakelijk. Hij vindt het bovendien belastend dat hij steeds om geld moet vragen. [naam 3] kan zijn financiën beheren zoals hij in de praktijk al doet. Opheffing van het bewind scheelt bovendien € 133,- per maand.
Het ziektebeeld van de betrokkene is stabiel (hij staat nog onder behandeling van de GGZ). Hij is weliswaar vrijgevig, maar dat betekent niet dat er misbruik van hem wordt gemaakt, zoals de bewindvoerder vreest. [naam 3] beschikt over een vermogen na de verkoop van zijn huis en hij is dus niet uit op het geld van de betrokkene. De betrokkene en [naam 3] wonen zes jaar samen. [naam 3] ondersteunt de betrokkene; hij beheert zijn medicatie en zijn leefgeld. Anders dan de bewindvoerder stelt, is hun relatie stabiel. Anders waren zij geen geregistreerd partnerschap aangegaan en had [naam 3] zijn woning niet verkocht om samen te kunnen wonen.
Standpunt bewindvoerder
5.4
In haar zienswijze heeft de bewindvoerder naar voren gebracht dat niet alleen zij, maar ook de behandelaar van de betrokkene voortzetting van het bewind noodzakelijk acht. De betrokkene heeft zelf ook meermaals gezegd niet met geld om te kunnen gaan, in welk verband de bewindvoerder naar een e-mail van de betrokkene van 10 januari 2025 heeft verwezen. De betrokkene wisselt (als gevolg van zijn psychische problematiek) van standpunt over de noodzaak van het bewind en heeft ook te kennen gegeven de ondersteuning nog steeds op prijs te stellen.
Het geregistreerd partnerschap met [naam 3] is (vooral) gesloten vanuit praktische overwegingen. De bewindvoerder maakt zich zorgen over de motieven van [naam 3] . Het verzoek tot opheffing lijkt te zijn ingegeven door de korting die [naam 3] krijgt op zijn AOW-uitkering als gevolg van het geregistreerd partnerschap. De kosten van bewindvoering passen binnen het budget van de betrokkene.
Hoewel de betrokkene een stabiele indruk maakt, is het de bewindvoerder in gesprekken met hem gebleken dat hij nog niet in staat is om zijn financiële belangen zelf te behartigen en dat hij nog beïnvloedbaar is: hij handelt vaak uit loyaliteit (zoals aan zijn zus die hij schenkingen doet) en emotionele afhankelijkheid (zoals van [naam 3] ).
Oordeel hof
5.5
Het hof stelt vast dat het bewind destijds is ingesteld vanwege de psychische problematiek van de betrokkene. Om te kunnen beoordelen of de noodzaak voor bewind nog bestaat is dus vooral van belang het antwoord op de vraag in hoeverre die psychische problematiek – en daaruit voortvloeiend: de beïnvloedbaarheid en het beperkte financiële inzicht – nog aanwezig is.
De betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij dagelijks medicijnen slikt en dat hij eens per vier weken zijn behandelaar bezoekt. Hij voelt zich goed en stabiel. De bewindvoerder heeft erkend dat het beter gaat met de betrokkene dan bij de aanvang van het bewind en dat hij inderdaad zijn eigen financiën kan beheren als zijn medicatie goed is ingesteld en hij stabiel is. Dat moment is volgens de bewindvoerder echter nog niet aangebroken. Het hof is dat met de bewindvoerder eens. De betrokkene heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij begin 2025 nog een terugval heeft gehad waarbij de crisisdienst moest worden gebeld. Daarbij komt dat nog steeds sprake lijkt te zijn van beïnvloedbaarheid. Zo heeft de betrokkene ter zitting verklaard dat hij bij opheffing van het bewind de vergoeding die hij aan [naam 3] betaalt voor huur en kostgeld nog eens onder de loep zou nemen. Het is te prijzen dat de betrokkene [naam 3] een redelijke vergoeding wil betalen, maar gezien de hoogte van de huur en het inkomen van [naam 3] is het discutabel of de betrokkene meer kostgeld (en niet juist minder) zou moeten betalen.
Aangezien de betrokkene in het verleden schulden heeft gemaakt vanwege zijn beïnvloedbaarheid (en het misbruik dat daarvan werd gemaakt) is het naar het oordeel van het hof nog te riskant om het bewind op te heffen.
Het hof weegt tot slot mee dat de betrokkene zich ambivalent heeft getoond over de noodzaak van het bewind: eerder trok hij zijn verzoek tot opheffing in en hij mailde de bewindvoerder begin 2025 nog dat hij niet met geld kan omgaan.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de noodzaak voor bewind nog bestaat en dat het verzoek tot opheffing te vroeg komt. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Ontslag bewindvoerder
5.6
Indien het bewind niet wordt opgeheven, heeft de betrokkene verzocht de bewindvoerder te ontslaan als bewindvoerder en [naam 3] tot opvolgend bewindvoerder te benoemen. De betrokkene heeft weliswaar een goede werkrelatie met de bewindvoerder, maar onder andere vanwege de kosten van het bewind ziet de betrokkene graag dat [naam 3] , die hem nu al ondersteunt, het overneemt van de bewindvoerder.
5.7
Uit artikel 1:448, eerste lid aanhef en sub e en tweede lid, BW volgt dat de bewindvoerder door de rechter ontslag kan worden verleend met ingang van een door deze te bepalen dag, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
5.8
Naar het oordeel van het hof wordt niet aan de gronden van artikel 1:448, eerste lid aanhef en sub e en tweede lid, BW voldaan. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn wens om [naam 3] zijn bewindvoerder te laten zijn, valt niet te kwalificeren als gewichtige redenen. Met de kantonrechter stelt het hof bovendien vast dat de betrokkene en de bewindvoerder het erover eens dat zij een goede verstandhouding hebben. Ook dit verzoek zal dus worden afgewezen.
5.9
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.M. van Baardewijk en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.