ECLI:NL:GHAMS:2025:3570

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23-001018-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in hoger beroep inzake Opiumwet na onvoldoende bewijs voor bedrijfsmatige hennepteelt

Op 19 december 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte, die in hoger beroep was gegaan tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland. De verdachte was eerder vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, maar het hof oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was voor zover het gericht was tegen de vrijspraak. Het hof heeft vastgesteld dat het enkele aantreffen van stoffen en voorwerpen in het pand van de verdachte niet voldoende bewijs opleverde voor de conclusie dat deze bestemd waren voor bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. De bonnen in het dossier waren niet gedateerd, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de verkoop van de goederen na 2015 had plaatsgevonden. Ook de vermelding van het tuincentrum van de verdachte in de High Life Guide was niet voldoende bewijs, omdat niet kon worden aangetoond dat deze vermelding op initiatief van de verdachte was gebeurd. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastelegging, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat hij zich schuldig had gemaakt aan de feiten zoals ten laste gelegd. De in beslag genomen goederen zullen aan de verdachte worden teruggegeven.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001018-24
datum uitspraak: 19 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-050048-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 ten laste is gelegd. Het hoger beroep van de verdachte is niet beperkt en is daarom ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is hoger beroep tegen deze vrijspraak niet mogelijk. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing tot vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit arrest gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op of omstreeks 2 juli 2020 te [bedrijf], gemeente Alkmaar stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader artikel 11a Opiumwet
Voor een veroordeling ter zake van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet (Ow) zal moeten worden bewezen dat de verdachte wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. Voorop gesteld wordt dat dezelfde bestanddelen in artikel 10a van de Ow zijn opgenomen zonder dat dit tot vragen heeft geleid, terwijl het daarbij evenzeer kan gaan om personen die (ogenschijnlijk) onderdeel uitmaken van het reguliere bedrijfsleven. Bij de lijst II middelen zal het in de praktijk om voorbereidingshandelingen met betrekking tot de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt gaan of teelt van grote hoeveelheden hennep. Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht (Kamerstukken II 2011/12, 32 842, nr. 6, p. 2).
De Hoge Raad overweegt in dit verband dat uit deze wetsgeschiedenis voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in artikel 11a van de Ow vereist is dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is (ECLI:NL:HR:2018:328).
Oordeel van het hof
Het aan de verdachte gemaakte verwijt houdt in dat hij stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad waarmee een hennepkwekerij kan worden ingericht bestemd voor grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt, en dat de verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die voorwerpen daarvoor bestemd waren.
Uit het dossier volgt dat de politie in het kader van de bestrijding van illegale hennepteelt onderzoek heeft gedaan naar actieve growshops. Tijdens dat onderzoek zijn twee bedrijven naar voren gekomen die op naam stonden van de verdachte: [bedrijf] en [bedrijf]. [bedrijf] stond in 2018, 2019 en 2020 vermeld als groothandel in de High Life Guide, een cannabis magazine. [bedrijf] was middels een zoekslag op het internet direct te linken aan [bedrijf], waar de verdachte onder andere benodigdheden verkocht voor de tuinbouw. Gebleken is uit een ander onderzoek dat [bedrijf] in de periode 2015-2018 een afnemer was van [bedrijf] (een groothandel in goederen voor de illegale hennepteelt) en destijds producten heeft gekocht die volgens de politie alleen in de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt worden gebruikt. Tijdens een doorzoeking van [bedrijf] werd onder meer een catalogus van [bedrijf] aangetroffen waarin andere goederen werden aangeboden dan op de website. Deze goederen worden gebruikt in de grootschalige hennepteelt. Ook werd een aantal bonnen aangetroffen waaruit blijkt dat bij [bedrijf] goederen zijn gekocht die samen een complete inventaris voor een grootschalige hennepkwekerij vormen. Daarnaast zijn in [bedrijf] tuinbouwgoederen aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor de hennepteelt.
Het hof heeft de verdachte hierover tijdens de zitting in hoger beroep bevraagd. De verdachte heeft verklaard dat hij sinds 2004 tuinbouwbenodigdheden verkocht. Nadat in 2015 artikel 11a van de Ow in werking is getreden, heeft de verdachte naar eigen zeggen geen goederen meer verkocht die geschikt zouden zijn voor de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. Indien het vermoeden van illegale hennepteelt bij een afnemer speelde, dan ging de verkoop volgens de verdachte niet door. De aangetroffen bonnen zijn van vóór 2015 en ook de catalogus is van vóór die tijd. De goederen die vermeld staan op de facturen van [bedrijf] werden voor andere doeleinden doorverkocht, volgens de verdachte. De tuinbouwgoederen die tijdens de doorzoeking zijn aangetroffen verkocht de verdachte naar eigen zeggen aan hobbytelers of telers van andere gewassen. Over de vermelding in de High Life Guide heeft de verdachte verklaard dat dit zonder zijn instemming is gebeurd en gebaseerd is op informatie van vóór de invoering van artikel 11a van de Ow.
Het hof overweegt dat het enkele aantreffen van stoffen en voorwerpen in het pand van [bedrijf] die ook geschikt zijn voor de hennepteelt op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat deze bestemd waren voor de bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. De in het dossier opgenomen bonnen (pagina 69 en 70) zijn niet van een datum voorzien, zodat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat de verkoop van deze goederen heeft plaatsgevonden na 2015. De facturen van [bedrijf] aan [bedrijf] geven te denken, maar nu deze dateren uit de periode 2015-2018, kan hieruit niet zonder meer worden vastgesteld dat de in 2020 aangetroffen voorwerpen en stoffen dienden voor de bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. Ook de omstandigheid dat het tuincentrum van de verdachte in de jaren 2018, 2019 en 2020 stond vermeld in de High Life Guide is, alhoewel het vragen oproept, niet toereikend om tot het bewijs te dienen, nu niet is komen vast te staan dat die vermelding op initiatief en na betaling door de verdachte heeft plaatsgevonden.
Aanvullend bewijs waaruit blijkt dat de gedragingen van de verdachte (op de ten laste gelegde datum) er (nog) toe strekten om de grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt voor te bereiden of te vergemakkelijken, ontbreekt. Nu aldus niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is komen vast te staan dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zal het hof de verdachte daarvan vrijspreken.

Beslag

Van hetgeen in beslag is genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, voor zover nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- groei- en bloeimiddelen (onder het gezamenlijke goednummer [nummer] en tevens vermeld in de bijlage bij de kennisgeving van inbeslagneming met documentnummer [nummer]) (vermeld als “kunstmest” met nummer 1 op de beslaglijst);
- kweekapparatuur en benodigdheden (onder het gezamenlijke goednummer [nummer] en tevens vermeld in de bijlage bij de kennisgeving van inbeslagneming met documentnummer [nummer]) (nummer 2 op de beslaglijst).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 december 2025. Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001018-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 19 december 2025.
Tegenwoordig zijn:
mr. N.E. Kwak, raadsheer,
, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.