In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland is verdachte vrijgesproken van het bezit van stoffen en voorwerpen bestemd voor grootschalige hennepteelt volgens artikel 11a van de Opiumwet. Het hof oordeelt dat het enkele aantreffen van hennepgerelateerde goederen in het bedrijf van verdachte onvoldoende is om de criminele intentie en bestemming voor bedrijfsmatige hennepteelt te bewijzen.
Het dossier bevatte onder meer bonnen zonder datum, een catalogus en vermeldingen in een cannabis magazine, maar geen sluitend bewijs dat deze goederen na de invoering van artikel 11a Opiumwet in 2015 zijn verkocht of dat verdachte bewust handelde met criminele intentie. Verdachte verklaarde dat hij sinds 2015 geen goederen meer verkocht die geschikt zijn voor grootschalige hennepteelt en dat de vermelding in het magazine zonder zijn instemming was.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Tevens werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard voor zover het hoger beroep gericht was tegen de eerdere vrijspraak. Teruggave van inbeslaggenomen goederen werd gelast.