ECLI:NL:GHAMS:2025:3586

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
200.349.133
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over de nakoming van een aannemingsovereenkomst voor verbouwingswerkzaamheden

In deze zaak gaat het om een hoger beroep dat is ingesteld door [appellant] tegen de vonnissen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland. [Appellant] had in opdracht van [geïntimeerden] verbouwingswerkzaamheden verricht, maar heeft zijn werkzaamheden neergelegd in afwachting van verdere betalingen. [Geïntimeerden] hebben in kort geding gevorderd dat [appellant] de resterende werkzaamheden binnen drie maanden zou afronden, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen voor de werkzaamheden die nodig waren om de woning bewoonbaar te maken. Het hof heeft het oordeel van de voorzieningenrechter grotendeels in stand gelaten, maar heeft enkele termijnen voor nakoming aangepast. Het hof oordeelt dat [appellant] niet bevoegd was zijn werkzaamheden op te schorten en dat het spoedeisend belang van [geïntimeerden] bij de afronding van de werkzaamheden zwaarder weegt dan de belangen van [appellant]. Het hof heeft de dwangsom aangepast en de proceskostenveroordeling in stand gelaten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.349.133/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/l 5/357542 / KG ZA 24-575
arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.J.M. Groen te Almere,
tegen

1.[geïntimeerde 1]

2.
[geïntimeerde 2],
beiden wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. K. Straathof te Alkmaar.

1.De zaak in het kort

[appellant] heeft sinds maart 2022 in opdracht van [geïntimeerden] (verbouwings)werkzaamheden verricht in en rondom de woning van [geïntimeerden] hebben van de aanneemsom een bedrag van € 700.000,00 betaald. [appellant] heeft zijn werkzaamheden in 2024 neergelegd, in afwachting van verdere betalingen. [geïntimeerden] hebben in kort geding gevorderd dat [appellant] de resterende werkzaamheden binnen drie maanden afrondt, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft die vordering toegewezen voor het deel van de werkzaamheden dat nodig was om de woning bewoonbaar te maken. Het hof laat dat oordeel grotendeels in stand.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 21 november 2024 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 28 oktober 2024 en 8 november 2024 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 32 tot en met 48;
- memorie van antwoord, met producties 1 tot en met 46;
- brief van 3 september 2025 van mr. Groen met akte overleggen producties 49 tot en met 98;
- brief van 11 september 2025 van mr. Straathof met producties 47 tot en met 55.
2.3.
Op 24 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
2.4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.Feiten

3.1.
De voorzieningenrechter heeft in 2.1. – 2.15. van het vonnis van 8 november 2024 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
3.2.
Op 3 januari 2022 heeft [appellant] een eerste offerte (met kenmerk: 2022003) aan
[geïntimeerden] toegezonden voor werkzaamheden in en rondom de woning van [geïntimeerden] aan [straat] [nummer] te [plaats 2] .
3.3.
Na een aantal aanpassingen zijn [geïntimeerden] op 21 maart 2022 akkoord gegaan met de offerte voor een bedrag van € 577.733,64 inclusief btw. Op dezelfde dag is [appellant] met de werkzaamheden gestart.
3.4.
[geïntimeerden] hebben op 23 maart 2022, 12 april 2022 en 15 april 2022 betalingen gedaan van in totaal € 150.000,00.
3.5.
Na aanvang van de werkzaamheden heeft [appellant] op verzoek van [geïntimeerden]
. meerdere offertes uitgebracht voor meerwerk, waarvan de volgende (in ieder geval) door [geïntimeerden] akkoord zijn bevonden:
- de offerte van 3 september 2022 (kenmerk: 2022315, meerwerk tuinhuisje) met een
totaalbedrag van € 39.274,32 (exclusief btw over arbeidsloon);
- de offerte van 13 januari 2023 (kenmerk: 2023002, meerwerk bijkeuken en keuken
tuinhuis) met een totaalbedrag van € 27.869,22 (exclusief btw over arbeidsloon);
- de offerte van 16 januari 2023 (kenmerk: 2023015, meerwerk aanbouw en zwembad) met
een totaalbedrag van € 57.294,44 (exclusief btw over arbeidsloon).
3.6.
Per e-mail van 20 mei 2023 heeft [appellant] [geïntimeerden] aangegeven dat de
totale aanneemsom vanwege meerwerk met € 20.000,00 wordt verhoogd.
3.7.
Per e-mail van 28 november 2023 hebben [geïntimeerden] [appellant] laten weten bezorgd te zijn over de voortgang van het project.
3.8.
Per e-mail van 26 januari 2024 heeft [appellant] bij [geïntimeerden] aangegeven dat er op basis van de offertes nog een bedrag van € 32.171,62 moest worden betaald. Dit was exclusief een aantal door [appellant] omschreven werkzaamheden. [appellant] gaf aan dat hij in totaal nog € 101.406,32 van [geïntimeerden] moest krijgen.
3.9.
[geïntimeerden] hebben in hun reactie aangegeven dat zij op een aantal punten akkoord gaan, maar dat zij op een aantal punten uitleg wensten. In zijn reactie op 27 januari 2024 heeft [appellant] uitleg gegeven en verzocht om een bedrag van € 20.000,00 over te maken.
3.10.
Op 1 februari 2024 hebben [geïntimeerden] een bedrag van € 10.000,00 aan [appellant] betaald.
3.11.
Op 18 februari 2024 heeft [appellant] [geïntimeerden] verzocht om nogmaals een bedrag van € 10.000,00 over te maken. [geïntimeerden] hebben dit geweigerd en hebben [appellant] bij brief van 11 maart 2024 verzocht om uiterlijk 15 april 2024 een aantal werkzaamheden uit te voeren. [appellant] heeft vervolgens zijn werkzaamheden neergelegd.
3.12.
[geïntimeerden] hebben vervolgens een bouwkundige inspectie laten uitvoeren en hebben samen met bouwkundige [naam] een lijst opgesteld van alle werkzaamheden die zijn verricht, deels zijn verricht of nog niet zijn uitgevoerd. [appellant] heeft hierop gereageerd.
3.13.
Bij brief van 29 mei 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerden] [appellant] verzocht binnen een week te bevestigen dat hij de werkzaamheden weer zal oppakken en binnen drie maanden tot een oplevering te komen, dan wel met een gedetailleerd plan te komen waaruit blijkt hoeveel tijd daarvoor in redelijkheid nodig is.
3.14.
Partijen hebben vervolgens afgesproken dat [appellant] een plan van aanpak zou opstellen. [appellant] heeft dit plan op 27 september 2024 aan [geïntimeerden] verstrekt.
3.15.
[geïntimeerden] hebben per e-mail van 1 oktober 2024 aan [appellant] laten weten dat zij teleurgesteld zijn in het plan van aanpak en dat zij juridische stappen gaan ondernemen.
3.16.
Sinds de aanvang van de werkzaamheden tot en met februari 2024 heeft [geïntimeerden]
. in totaal € 700.000,00 aan [appellant] betaald, waarvan € 50.000,00 in contanten.

4.Eerste aanleg

4.1.
[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg, samengevat, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van de aannemingsovereenkomst, inclusief overeengekomen meerwerk, door het werk binnen drie maanden na betekening van het vonnis af te ronden en op te leveren, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.2.
[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd om, ingeval de vordering van [geïntimeerden] (gedeeltelijk) wordt toegewezen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerden] te veroordelen tot primair betaling van de resterende aanneemsom in drie termijnen van elk € 45.241,79, subsidiair tot het verstrekken van zekerheid voor een bedrag van € 46.359,15 in de vorm van een bankgarantie of depotstelling, vóór 4 november 2024, en betaling van de resterende aanneemsom in drie termijnen van elk € 29.788,77.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft de vordering (in conventie) van [geïntimeerden] toegewezen ten aanzien van een aantal van de werkzaamheden die zijn genoemd op de Excel-lijst die [geïntimeerden] als productie 18 heeft overgelegd, onder de voorwaarde dat [geïntimeerden] voor 4 november 2024 zekerheid verstrekken voor een bedrag van € 49.691,62. De dwangsom is bepaald op € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten in conventie. De voorzieningenrechter overwoog daartoe, kort samengevat, dat [appellant] zich niet (meer) op opschorting kan beroepen en dat [geïntimeerden] er spoedeisend belang bij hebben dat de werkzaamheden worden verricht die nodig zijn om de woning bewoonbaar te maken. Het belang van [geïntimeerden] om de woning op korte termijn te kunnen betrekken weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van [appellant] om de discussie(s) over (de prijs van) die werkzaamheden te beslechten voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd.
4.4.
In reconventie heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerden] veroordeeld om vóór 4 november 2024 zekerheid aan [appellant] te verstrekken voor een bedrag van € 49.691,62 in de vorm van een bankgarantie onder de gebruikelijke voorwaarden of een depotstelling bij een notaris of bij een van de advocaten van partijen, en een bewijsstuk daarvan aan [appellant] te doen toekomen. Daartoe overwoog de voorzieningenrechter, kort samengevat, dat in het kort geding niet is vast te stellen of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van ander meerwerk dan [geïntimeerden] heeft erkend (te weten de aanneemsom, inclusief meerwerk, van € 749.691,62 (inclusief btw)). In het kader van een belangenafweging zag de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat [geïntimeerden] vóór 4 november 2024 (zijnde de datum waarop [appellant] de werkzaamheden zal hervatten) zekerheid dient te stellen tot een bedrag van € 49.691,62 (het verschil tussen de door [geïntimeerden] erkende aanneemsom en het reeds betaalde bedrag). Het (spoedeisend) belang van [appellant] bij enige financiële zekerheid weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter (zeker gezien de nog lopende discussie over ruim € 85.000,00) zwaarder dan het belang van [geïntimeerden] om zekerheidstelling geheel achterwege te laten. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten in reconventie tussen partijen gecompenseerd.

5.Beoordeling

Uitgangspunten in kort geding
5.1.
Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (zie o.a. HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1541, r.o. 3.3).
Omvang van het hoger beroep
5.2.
[appellant] heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en
- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen in eerste aanleg van [geïntimeerden] geheel zal afwijzen en zijn vorderingen in eerste aanleg zal toewijzen, met dien verstande dat, indien het hof het vonnis van de voorzieningenrechter gedeeltelijk vernietigt en/of in stand laat, de uitspraak aanpast op de in de in de memorie van grieven beoogde zin, en met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg en het hoger beroep.
5.3.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel de vorderingen van [appellant] in hoger beroep zal afwijzen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties vermeerderd met de wettelijke rente.
5.4.
[appellant] voert vijf grieven aan tegen de bestreden vonnissen. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter over de vorderingen van [geïntimeerden] (in conventie). [appellant] heeft geen grieven gericht tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van zijn (primaire en subsidiaire) vorderingen (in reconventie) tot betaling van de resterende aanneemsom. Deze vorderingen vallen daarmee buiten het bereik van dit hoger beroep en liggen daarmee niet meer ter beoordeling voor.
Opschorting
5.5.
Met de grieven 1 en 2 bestrijdt [appellant] het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij zich niet (meer) op opschorting kon beroepen.
5.6.
Volgens [appellant] mocht hij in elk geval vanaf 2 april 2024 zijn werkzaamheden opschorten. Op die dag hadden [geïntimeerden] aangekondigd dat zij de kosten van de door hen ingeschakelde deskundige zouden gaan verrekenen met de nog openstaande aanneemsom, terwijl er ook al een discussie liep over het meerwerk. Dat zij op de zitting van 23 oktober 2024 lieten weten van deze verrekening af te zien, neemt de opschortingsbevoegdheid in de periode daarvoor niet weg, aldus [appellant] . Voor zover [geïntimeerden] spoedeisend belang hebben bij afronding van de werkzaamheden, hebben zij dat spoedeisend belang dus zelf veroorzaakt. Dit dient volgens hem daarom ook door te werken in de termijn die hem wordt gegund om de werkzaamheden alsnog af te ronden, omdat hij in de tussentijd andere werken heeft aangenomen. Verder voert [appellant] aan dat hij zijn werkzaamheden mocht opschorten omdat partijen hadden afgesproken dat [geïntimeerden] een aanvullende betaling zouden doen van € 20.000,00 en zij daarvan maar € 10.000,00 hadden betaald.
5.7.
Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of sprake was van een (dreigende) tekortkoming aan de zijde van [geïntimeerden] Ook indien de door [geïntimeerden] op 2 april 2024 aangekondigde verrekening onterecht was en zij in strijd met gemaakte afspraken zouden hebben nagelaten een aanvullend bedrag van € 10.000,00 te betalen, rechtvaardigde dit niet de opschorting van zijn werkzaamheden door [appellant] . [appellant] heeft niet gegriefd tegen rechtsoverwegingen 4.18. tot en met 4.20. van het vonnis van 8 november 2024, zodat het hof die overwegingen tot uitgangspunt moet nemen. De voorzieningenrechter overwoog daarin, samengevat, dat in er het kader van dit kort geding van moet worden uitgegaan dat de aanneemsom, inclusief overeengekomen meerwerk, € 749.691,62 bedraagt en dat de laatste 20% van de aanneemsom pas na oplevering opeisbaar is. Aangezien [geïntimeerden] op het moment dat [appellant] zijn werkzaamheden opschortte al
€ 700.000,00 hadden voldaan en het werk nog niet was opgeleverd, hadden zij op dat moment al veel meer betaald, dan zij op dat moment aan [appellant] verschuldigd waren op grond van de betalingsafspraken. Onder deze omstandigheden was het opschorten van de werkzaamheden door [appellant] niet proportioneel (artikel 6:263 lid 2 BW).
5.8.
Aangezien [appellant] niet bevoegd was zijn werkzaamheden op te schorten, kan niet worden gezegd dat het spoedeisend belang bij hun vorderingen door toedoen van [geïntimeerden] zèlf is ontstaan. Er is op deze grond dus ook geen reden om [appellant] een langere termijn te geven voor nakoming.
5.9.
Grieven 1 en 2 falen dus.
Termijn voor de uitvoering van nog te verrichten werkzaamheden
5.10.
Met grief 3 komt [appellant] op tegen overweging 4.12 van het bestreden vonnis en 5.1. van de beslissing. Hij voert aan dat na het vonnis is gebleken dat hij, door de opstelling van [geïntimeerden] zelf, veel van de nog resterende werkzaamheden niet, of niet binnen de gevorderde en toegewezen termijn van drie maanden, kon uitvoeren. [appellant] heeft belang bij beoordeling van dit verweer in verband met de dwangsom die telkens aan de veroordeling en de termijn voor uitvoering is gekoppeld. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de termijn van drie maanden begint te lopen na betekening van het vonnis, dan wel, indien de betekening vóór 4 november 2024 plaatsvindt, binnen drie maanden na 4 november 2024 en indien de zekerheidstelling plaatsvindt na 4 november 2024 binnen drie maanden vanaf de dag volgend op de dag dat de zekerheid is gesteld. Uit productie 1 bij memorie van antwoord volgt dat [geïntimeerden] op 31 oktober 2024 zekerheid hebben gesteld door een bedrag van € 49.691,62 over te maken op de derdenrekening van hun advocaat. Uit productie 2 bij memorie van antwoord volgt dat het vonnis van de voorzieningenrechter op 4 november 2024 aan [appellant] is betekend. Dit betekent dat de door de voorzieningenrechter bepaalde termijn van drie maanden is ingegaan op 4 november 2024 en liep tot 4 februari 2025.
5.11.
Het hof overweegt ten aanzien van de verschillende door [appellant] genoemde onderdelen het volgende.
a)
Stalen binnendeuren (416, 417 en 418)
5.12.
Tussen partijen is in geschil welk type binnendeuren [appellant] moet leveren op basis van de overeenkomst. Volgens [appellant] zijn partijen overeengekomen dat hij deuren met alleen glas zou leveren, maar verlangen [geïntimeerden] deuren met (deels) stalen panelen, die duurder zijn, en weigeren zij het meerwerk te betalen. Deze onderdelen dienen daarom volgens [appellant] uit de veroordeling te worden geschrapt, dan wel dient de termijn voor nakoming te worden verlengd. Volgens [geïntimeerden] behoren deuren met (deels) stalen panelen tot de overeenkomst en zijn zij dus geen meerwerk verschuldigd.
5.13.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij de binnendeuren niet binnen de termijn van drie maanden na betekening van het vonnis kon leveren in de uitvoering die [geïntimeerden] wensten. Gelet op de stand van de al verrichte betalingen en het spoedeisend belang van [geïntimeerden] bij afronding van de werkzaamheden die nodig zijn om de woning bewoonbaar te maken, waaronder het plaatsen van de binnendeuren, mag van [appellant] worden verwacht dat hij die deuren ook levert en de discussie over al dan niet verschuldigde kosten voor meerwerk in een later stadium voert. Dat was op het moment van wijzen van het bestreden vonnis niet anders. Er is dan ook geen aanleiding om de vordering van [geïntimeerden] op dit punt alsnog (deels) af te wijzen.
b)
Gevelbekleding (370 en 559)
5.14.
Tussen partijen is in geschil hoe de gevelbekleding zou moeten worden uitgevoerd. Volgens [appellant] zijn partijen overeengekomen dat de gevelbekleding van staal zou zijn, maar verlangen [geïntimeerden] aluminium gevelbekleding. Verder is volgens hem vertraging ontstaan doordat [geïntimeerden] door hem gemaakte tekeningen, ten onrechte, hebben afgekeurd en zelf tekeningen hebben laten maken. Deze onderdelen dienen daarom volgens [appellant] uit de veroordeling te worden geschrapt, dan wel dient de termijn voor nakoming te worden verlengd met twee maanden nadat overeenstemming is bereikt over de uitvoering en de vergoeding van de meerprijs. Volgens [geïntimeerden] is er geen geschil over het materiaal van de gevelbekleding maar alleen over de wijze van uitvoering daarvan. Hiervoor waren nadere tekeningen nodig, die [appellant] te laat aanleverde. Omdat die tekeningen van onvoldoende kwaliteit waren, hebben [geïntimeerden] zelf detailtekeningen laten maken door een architect en die op 19 maart 2025 met [appellant] gedeeld.
5.15.
Het hof stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat het voor een juiste uitvoering van de gevelbekleding nodig was om detailtekeningen te (laten) maken. Binnen het beperkte bestek van dit kort geding kan het hof niet vaststellen of de door [appellant] geproduceerde tekeningen van voldoende kwaliteit waren om op basis daarvan goedkeuring te kunnen geven voor de uitvoering van de gevelbekleding. Vast staat dat [appellant] in elk geval op 19 maart 2025 over tekeningen beschikte die nodig waren voor de uitvoering van de gevelbekleding. Partijen hadden op dat moment kennelijk overeenstemming over de wijze van uitvoering.
Gelet op de stand van de al verrichte betalingen en het spoedeisend belang van [geïntimeerden] bij afronding van de werkzaamheden die nodig zijn om de woning bewoonbaar te maken, waaronder de gevelbekleding, mag van [appellant] worden verwacht dat hij de discussie over al dan niet verschuldigde kosten voor meerwerk op dit punt in een later stadium voert. Dat was op het moment van wijzen van het bestreden vonnis niet anders. Er is daarom geen reden om te bepalen dat [appellant] dit onderdeel niet hoeft uit te voeren. Omdat wel aannemelijk is dat het afronden van de werkzaamheden op dit onderdeel meer tijd vergde dan drie maanden, is het - gelet op de termijn die [appellant] zelf noemt - redelijk om de termijn voor nakoming pas te laten eindigen op 19 mei 2025.
c)
Kozijn voorzijde (214 en 422)
5.16.
[geïntimeerden] hebben in april 2022 te kennen gegeven dat zij driedubbel glas wilden in plaats van dubbel glas, zoals in de offerte stond. Volgens [appellant] is het voor het plaatsen van driedubbel glas nodig om nieuwe constructieberekeningen te maken en weigeren [geïntimeerden] daarvoor èn voor de meerkosten van dubbel glas te betalen. Deze onderdelen dienen daarom volgens [appellant] uit de veroordeling te worden geschrapt, dan wel dient de termijn voor nakoming te worden verlengd met twee maanden nadat overeenstemming is bereikt over de uitvoering en de vergoeding van de meerprijs.
[geïntimeerden] voeren aan dat [appellant] heeft nagelaten te onderbouwen waarom de constructie verzwaard zou moeten worden.
5.17.
Het hof stelt vast dat partijen kennelijk overeenstemming hadden over het plaatsen van driedubbel, in plaats van dubbel, glas. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voor het plaatsen van het glas en het eventueel aanpassen van de constructie afhankelijk was van de medewerking van [geïntimeerden] en dat de termijn van drie maanden daarom niet haalbaar was. Voor zover er discussie zou bestaan over de betaling van meerwerkkosten geldt ook hiervoor dat dit geen reden is om te bepalen dat [appellant] dit onderdeel niet hoeft uit te voeren of dat hem hiervoor een langere termijn moet worden gegund. Er is dan ook geen aanleiding om de vordering van [geïntimeerden] op dit punt alsnog (deels) af te wijzen.
d)
Buitenkozijnen begane grond (215 en 216)
5.18.
Het gaat bij deze post om twee kozijnen aan de voorzijde en een kozijn in de rechter zijgevel. [appellant] voert aan dat hij de kozijnen aan de voorzijde niet kan uitvoeren omdat [geïntimeerden] ten onrechte gedetailleerde werktekeningen van hem verlangen. Deze onderdelen dienen daarom volgens [appellant] uit de veroordeling te worden geschrapt, dan wel dient de termijn voor nakoming te worden verlengd met twee maanden nadat overeenstemming is bereikt over de uitvoering en de vergoeding van de meerprijs. Over het kozijn in de zijgevel voert hij aan dat de beglazing een langere levertijd heeft dan voorzien en dat het kozijn in de tussentijd ook kan worden afgedekt met houten platen. Volgens [geïntimeerden] waren tekeningen van [appellant] van onvoldoende kwaliteit. Zij hebben daarom zelf detailtekeningen laten maken, die helaas pas op 19 maart 2025 zijn ontvangen. [geïntimeerden] voeren verder aan dat [appellant] het glas voor het kozijn aan de zijkant te laat heeft besteld en dat de woning niet bewoonbaar is als het kozijn alleen wordt afgedekt met houten platen.
5.19.
Het is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat het voor een juiste uitvoering van de kozijnen aan de voorzijde nodig was om (detail)tekeningen te (laten) maken. Binnen het beperkte kader van dit kort geding kan het hof niet vaststellen of de door [appellant] geproduceerde tekeningen van voldoende kwaliteit waren om op basis daarvan goedkeuring te kunnen geven voor de uitvoering van kozijnen. [appellant] heeft niet weersproken dat vanaf 19 maart 2025 tekeningen beschikbaar waren, op basis waarvan de kozijnen konden worden uitgevoerd. Vanaf dat moment was er kennelijk overeenstemming over de wijze van uitvoering. Ter zitting heeft [appellant] erkend dat partijen op dit punt geen discussie hebben over kosten van meerwerk. Er is daarom geen reden om te bepalen dat [appellant] dit onderdeel niet hoeft uit te voeren. Omdat wel aannemelijk is dat het afronden van de werkzaamheden op dit onderdeel meer tijd vergde dan drie maanden, is het - gelet op de termijn die [appellant] zelf noemt - redelijk om de termijn voor nakoming te laten eindigen op 19 mei 2025.
Wat betreft het kozijn aan de zijkant is het hof van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem onmogelijk was om de beglazing binnen drie maanden te plaatsen. Anders dan [appellant] stelt, is het voor de bewoonbaarheid van de woning niet voldoende dat het kozijn wordt afgedekt met houten platen. [geïntimeerden] hebben dus nog steeds spoedeisend belang bij het plaatsen van de beglazing. Er is dus geen aanleiding om dit onderdeel uit de veroordeling te schrappen of een langere termijn voor nakoming te bepalen.
e)
Aansluiting wastafelmeubel (258)
5.20.
Tussen partijen staat vast dat het wastafelmeubel geplaatst en aangesloten is. Partijen verschillen echter van mening of [appellant] dit op de juiste manier heeft gedaan. Nu [appellant] zelf stelt dat hij de overeenkomst op dit punt correct en binnen de termijn van drie maanden is nagekomen en hij ter zitting heeft erkend dat in feite sprake is van een executiegeschil, is er geen aanleiding de veroordeling op dit punt aan te passen.
f)
Betontrap met eikenhouden bekleding (219)
5.21.
Tussen partijen is in geschil of de betonnen trap volledig moest worden afgetimmerd met eikenhout, dan wel moest worden uitgevoerd met (afwisselend) eikenhout beklede en met gepolijste traptreden. Volgens [appellant] wilden [geïntimeerden] , in afwijking van de overeenkomst, deze tweede uitvoering maar weigerden zij de meerprijs te betalen. Bovendien moest de trap aansluiten op de nog later aan te brengen vloeren en is daar bij het bepalen van de termijn volgens hem geen rekening mee gehouden. [appellant] verzoekt daarom bij dit onderdeel te bepalen dat de werkzaamheden conform de offerte moeten worden uitgevoerd, binnen twee maanden na de datum van het arrest.
[geïntimeerden] voeren aan dat de discussie over de meerprijs geen reden is om de trap niet met deels gepolijste treden uit te voeren. De aansluiting met de vloer is volgens hen ook geen reden om de termijn voor nakoming aan te passen.
5.22.
Ter zitting heeft [appellant] toegelicht de meerwerkkosten voor de uitvoering van een trap met deels gepolijste treden ongeveer € 1.000,00 bedragen. Ook hiervoor geldt dat de discussie over de betaling van deze meerwerkkosten geen reden is om te bepalen dat [appellant] dit onderdeel conform de offerte zou moeten uitvoeren of dat hem hiervoor een langere termijn moet worden gegund. Het hof verwijst naar hetgeen daarover hiervoor is overwogen. Wat betreft de aansluiting van de trap op de vloeren geldt het zelfde. [appellant] heeft in dit kort geding niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk was om de trap binnen de termijn van drie maanden op de door [geïntimeerden] gewenste wijze uit te voeren. Er is dan ook geen aanleiding om de vordering van [geïntimeerden] op dit punt alsnog (deels) af te wijzen.
g)
Sanitair, deurgrepen en rozetten (258, 309, 465 en 484)
5.23.
Tussen partijen is in geschil of [appellant] in staat was om deze onderdelen binnen de termijn van drie maanden te monteren. Volgens [appellant] moesten [geïntimeerden] diverse onderdelen bestellen en aanleveren, voordat hij ze kon monteren. Omdat zij dit niet tijdig hebben gedaan, was de termijn van drie maanden volgens [appellant] te kort. Hij verzoekt daarom het vonnis op dit punt te vernietigen of te bepalen dat deze werkzaamheden moeten worden afgerond binnen twee maanden na afgifte van de goederen. [geïntimeerden] betwisten dat [appellant] niet tijdig over de te monteren onderdelen beschikte.
5.24.
Het hof leidt uit de e-mail van 10 februari 2025 (productie 71 van [appellant] ) af dat [geïntimeerden] pas in het daaraan voorafgaande weekend alle (nog resterende) materialen op de juiste plaats in de woning hebben gelegd. Aannemelijk is dat [appellant] pas toen in staat was om alles op de juiste plek te monteren. De door de voorzieningenrechter opgelegde termijn was blijkbaar te kort. Het hof zal het vonnis op dit punt vernietigen en [appellant] veroordelen deze materialen aan te brengen binnen twee maanden na 10 februari 2025, dus uiterlijk 10 april 2025.
h)
Harmonicadeuren (213)
5.25.
[appellant] voert aan dat hij de harmonicadeuren pas eind februari/begin maart 2025 kon plaatsen. Omdat [geïntimeerden] zijn tekeningen pas op 10 december 2024 akkoord bevonden, kon hij de deuren pas toen bestellen. Er gold een levertijd van acht tot twaalf weken. De woning kon volgens [appellant] overigens ook zonder de deuren worden bewoond. [geïntimeerden] betwisten de door [appellant] gestelde levertijd van de deuren en voeren aan dat hij de deuren tijdig had kunnen plaatsen als hij de tekeningen tijdig had aangeleverd en de deuren tijdig had besteld.
5.26.
Naar het oordeel van het hof zijn de harmonica deuren van belang voor de leefbaarheid van de woning. [geïntimeerden] hebben dus nog steeds spoedeisend belang bij het plaatsen van de deuren. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door toedoen van [geïntimeerden] dan wel de levertijd van de harmonicadeuren niet binnen een termijn van drie maanden kon plaatsen. Er is dan ook geen aanleiding om de veroordeling op dit punt aan te passen.
i)
Oplaadpaal (373)
5.27.
[appellant] voert aan dat [geïntimeerden] de oplaadpaal zouden aanleveren maar dat eind januari 2025 nog steeds niet hadden gedaan. Daarom was het voor hem onmogelijk om op dit punt aan de veroordeling te voldoen. Hij stelt voor de veroordeling zo aan te passen dat hij deze werkzaamheden dient af te ronden binnen vier weken na levering van de oplaadpaal.
5.28.
[geïntimeerden] betwisten niet dat zij de oplaadpaal zouden leveren en dat zij dat niet hebben gedaan. Reeds daardoor is de termijn van drie maanden te kort gebleken. Het hof zal daarom bepalen dat [appellant] de oplaadpaal binnen vier weken na levering daarvan door [geïntimeerden] dient aan te sluiten.
j)
Meterkast (192)
5.29.
[appellant] voert aan dat hij de werkzaamheden aan de meterkast pas kan afronden, nadat de elektrische aansluiting op het stroomnet heeft plaatsgevonden. Tussen partijen staat vast dat dit inmiddels op 28 februari 2025 is gebeurd. Partijen twisten over de vraag of de vertraging aan [appellant] te wijten is.
5.30.
Het hof kan op basis van de overgelegde stukken niet vaststellen of [appellant] tijdig de benodigde gegevens heeft verstrekt om de aansluiting te laten plaatsvinden en of dit op zijn weg lag om te doen. Het hof zal [appellant] daarom in zijn standpunt volgen en hem veroordelen de meterkast aan te leggen binnen vier weken na 28 februari 2025, dus uiterlijk 28 maart 2025. Dit geldt ook voor het stuken en sauzen van de betreffende wanden.
k)
Stalen beugels onder de hardhouten raamkozijnen (454 tot en met 461)
5.31.
[appellant] voert aan dat hij de beugels binnen de termijn van drie maanden heeft hersteld, maar dat hij vreest voor een discussie over de dwangsom. Hij verzoekt daarom dit onderdeel buiten de veroordeling te laten. [geïntimeerden] erkennen dat [appellant] zijn verplichtingen op dit punt correct is nagekomen.
5.32.
Nu [appellant] kennelijk in staat is geweest om op dit punt binnen de termijn van drie maanden alsnog na te komen, is er geen aanleiding om de veroordeling aan te passen.
Conclusie ten aanzien van grief 3
5.33.
Grief 3 slaagt op grond van het voorgaande gedeeltelijk.
Het hof zal de termijn voor nakoming verlengen ten aanzien van:
- de gevelbekleding en de buitenkozijnen begane grond voorzijde tot 19 mei 2025;
- het sanitair, de deurgrepen en rozetten tot 10 april 2025;
- de oplaadpaal tot vier weken na levering van de oplaadpaal aan [appellant] ;
- de meterkast tot 28 maart 2025.
Dwangsom
5.34.
Met grief 4 betoogt [appellant] dat het onredelijk is dat hij de volledige dwangsom van € 50.000,00 verbeurt indien hij slechts één van de werkzaamheden waartoe hij is veroordeeld niet (volledig) heeft uitgevoerd. De lijst bestond uit namelijk meer dan honderd grotere en kleinere posten. [appellant] verzoekt daarom de dwangsom aan te passen aldus dat een dwangsom geldt van € 50,00 per dag per post, met een maximum van, alle posten samen, € 50.000,00. [geïntimeerden] hebben op dit punt geen verweer gevoerd.
5.35.
Het hof is van oordeel dat een dwangsom van € 50,00 per dag per post, met een maximum van € 50.000,00, voor [appellant] een voldoende prikkel tot nakoming vormt en zal de dwangsom overeenkomstig het verzoek van [appellant] aanpassen.
5.36.
Grief 4 slaagt dus.
Conclusie en proceskosten
5.37.
De grieven slagen gedeeltelijk. Het vonnis waarvan beroep zal gedeeltelijk worden vernietigd.
5.38.
Met grief 5 komt [appellant] op tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in conventie. Het hof laat deze proceskostenveroordeling in stand, omdat [appellant] de overwegend in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg is. Grief 5 faalt dus. Het hof zal [appellant] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij ook in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
5.39.
Het hof stelt de kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] vast op:
- griffierecht € 349,00;
- salaris advocaat € 2.428,00 (twee punten × appeltarief II);
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal € 2.955,00.
5.40.
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6.Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding:
6.1.
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij [appellant] is veroordeeld tot het verrichten van de werkzaamheden die vermeld staan onder de volgende nummers van de Excel-lijst van [geïntimeerden] (productie 18 bij inleidende dagvaarding) binnen drie maanden vanaf 4 november 2024:
  • 370 en 559, gevelbekleding
  • 215 en 216, buitenkozijnen begane grond
  • 258, 309, 465 en 484, sanitair, deurgrepen en rozetten
  • 373, oplaadpaal
  • 192, meterkast
en waarbij [appellant] is veroordeeld om aan [geïntimeerden] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan hij dat niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
6.2.
veroordeelt Milcanowski de volgende werkzaamheden binnen de volgende termijnen aan [geïntimeerden] op te leveren:
- 370 en 559, gevelbekleding, uiterlijk op 19 mei 2025;
- 215 en 216, buitenkozijnen begane grond voorzijde, uiterlijk 19 mei 2025;
- 258, 309, 465 en 484, sanitair, deurgrepen en rozetten, uiterlijk 10 april 2025;
- 373, oplaadpaal, vier weken na levering van de oplaadpaal door [geïntimeerden] aan [appellant] ;
- 192, meterkast, uiterlijk 28 maart 2025;
6.3.
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerden] een dwangsom te betalen van
€ 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan per post dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, met een maximum van, alle posten samen, € 50.000,00;
6.4.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
6.5.
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 2.955,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;
6.6.
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
6.7.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. J. de Graaf, mr. R.A. van der Pol en mr. C.B.M. Scholten van Aschat en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.