ECLI:NL:GHAMS:2025:3612

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
24/3482 en 24/3483
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake douaneschulden en wijziging douaneaangiften onder de regeling actieve veredeling EX/IM

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 25 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over douaneschulden en de wijziging van douaneaangiften onder de regeling actieve veredeling EX/IM. De belanghebbende, een logistiek dienstverlener, had in de periode van 17 februari 2017 tot en met 13 september 2018 92 aangiften gedaan voor de plaatsing van goederen onder deze regeling. De inspecteur van de Douane had na een administratieve controle een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt voor een aanzienlijk bedrag aan douanerechten en rente. De rechtbank Noord-Holland had in een eerdere uitspraak het beroep van de belanghebbende gegrond verklaard en de utb vernietigd, waarop de inspecteur hoger beroep instelde.

Het Hof oordeelde dat de belanghebbende in beginsel de aangiften in eigen naam en voor eigen rekening mocht indienen, omdat zij voldeed aan de voorwaarden van artikel 170, lid 1, van het Douanewetboek van de Unie (DWU). De inspecteur betoogde echter dat er douaneschulden waren ontstaan, maar het Hof oordeelde dat door het indienen van de aangiften geen douaneschulden waren ontstaan. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de inspecteur de wijzigingsverzoeken van de belanghebbende had afgewezen, omdat er geen aanleiding was voor wijziging en de belanghebbende daarbij geen belang had. Het Hof bevestigde de uitspraken van de rechtbank, met verbetering van gronden, en wees de hoger beroepen van zowel de inspecteur als de belanghebbende af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 24/3482 en 24/3483
25 november 2025
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Douane, de inspecteur,
tegen de uitspraak van 1 augustus 2024 in de zaak met kenmerk HAA 21/4159 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
[X], gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigden: mr. B.A. Kalshoven en mr. K. Abdullah)
en
de inspecteur,
alsmede op het hoger beroep van
belanghebbende
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 augustus 2024 in de zaken met de kenmerken HAA 21/4160 en HAA 21/4161 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

Zaak 24/3483
1.1.1.
Belanghebbende heeft in de periode van 17 februari 2017 tot en met 13 september 2018 in eigen naam en voor eigen rekening 92 aangiften gedaan tot plaatsing van [product] onder de regeling actieve veredeling.
1.1.2.
De inspecteur heeft voor deze 92 aangiften, naar aanleiding van een administratieve controle achteraf, met dagtekening 3 september 2020 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: de utb) uitgereikt voor een bedrag van € 2.148.546,70 aan douanerechten en € 109.422,30 aan rente op achterstallen.
1.1.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2021 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de utb afgewezen.
1.1.4.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de utb;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.998;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.”
1.1.5.
De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Zaak 24/3482
1.2.1.
Belanghebbende heeft op 7 februari 2020 aan de inspecteur verzocht om de voornoemde 92 aangiften, met toepassing van artikel 173, lid 3, van het DWU zodanig te wijzigen, dat niet langer sprake is van aangiften in naam en voor rekening van belanghebbende, maar in naam en/of voor rekening van haar (vier) opdrachtgevers. Bij beschikking van 29 april 2020 heeft de inspecteur dit wijzigingsverzoek afgewezen.
1.2.2.
Op 11 juni 2020 heeft belanghebbende een tweede wijzigingsverzoek gedaan voor 22 aangiften (die niet in de onder 1.1.2 genoemde utb zijn begrepen), alle betreffende dezelfde opdrachtgever. Bij beschikking van 11 september 2020 heeft de inspecteur ook dit wijzigingsverzoek afgewezen.
1.2.3.
Bij uitspraken op bezwaar van 26 juli 2021 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen voornoemde beschikkingen afgewezen.
1.2.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank deze beroepen ongegrond verklaard.
1.2.5.
De belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Alle zaken
1.3.
Belanghebbende heeft een pleitnota ingediend.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2025. De zaken zijn gezamenlijk behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een logistiek dienstverlener. Zij doet onder meer douaneaangiften en treedt daarbij desgevraagd op als douanevertegenwoordiger.
2.2.
Op 10 december 2019 heeft inspecteur aan belanghebbende een administratieve controle aangekondigd. De controle richtte zich op de gevolgde douaneformaliteiten en de aanvaardbaarheid van de door haar ingediende aangiften tot plaatsing van [product] onder de regeling actieve veredeling in de periode 1 mei 2016 tot en met 1 mei 2019. Het ging daarbij om aangiften met als douaneregeling code 51 (actieve veredeling overeenkomstig artikel 256 van het Douanewetboek van de Unie, hierna: DWU) en met als voorafgaande douaneregeling code 11 (voorafgaande uitvoer bij actieve veredeling, als genoemd in artikel 223, tweede lid onder c, van het DWU). Deze regeling wordt hierna aangeduid als “douaneregeling actieve veredeling EX/IM”.
2.3.
In alle gevallen heeft de voorafgaande uitvoer plaatsgevonden in andere lidstaten van de Europese Unie, zodat sprake is van driehoeksverkeer. Driehoeksverkeer vereist uitwisseling van informatie tussen de betrokken douaneautoriteiten. Deze uitwisseling diende ten tijde van het indienen van de desbetreffende aangiften in beginsel elektronisch plaats te vinden (zie artikel 181 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, hierna: GDWU alsmede artikel 271, lid 1, aanhef en onder a, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, hierna: UDWU). Omdat het relevante elektronische systeem nog niet gereed was (streefdatum was 1 oktober 2019, zie Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU), is gebruik gemaakt van het inlichtingenblad INF5, zoals voorgeschreven in artikel 23 en bijlage 13 van de Gedelegeerde verordening (EU) 2016/341 van de Commissie (hierna: de Transitieverordening). Het aldaar voorgeschreven formulier en de in het aanhangsel op het formulier gegeven toelichting, zijn gelijkluidend aan vermeldingen in bijlage 71 van de voormalige verordening 2454/93 van de Commissie, houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van communautair douanewetboek (UCDW).
2.4.
Op de inlichtingenbladen INF5 die bij de douane zijn overgelegd is in vak 1 telkens de vergunninghouder van de douaneregeling actieve veredeling EX/IM vermeld. Het betreft:
  • [bedrijf 1] ( [land 1] , hierna: [bedrijf 1] )
  • [bedrijf 2] ( [land 2] , hierna: [bedrijf 2] )
  • [bedrijf 3] ( [land 3] , hierna: [bedrijf 3] )
  • [bedrijf 4] ( [land 4] , hierna: [bedrijf 4] )
Belanghebbende beschikte over afschriften van de AV-vergunningen van deze bedrijven. Deze vergunningen behoren tot de gedingstukken.
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn telkens eveneens in vak 2 van de inlichtingenbladen INF5 vermeld als de “Importeur die is gemachtigd de in vak 4 omschreven goederen onder de regeling te plaatsen.”
[bedrijf 3] heeft in alle gevallen in vak 2 van de INF5 het (eveneens [land 3] ) bedrijf [bedrijf 5] aangewezen als importeur gemachtigd om de goederen onder de regeling AV te plaatsen. [bedrijf 5] is één van de (vijf) importeurs die in de AV-vergunning van [bedrijf 3] is genoemd als mogelijk aan te wijzen importeur.
[bedrijf 4] heeft in alle gevallen in vak 2 van de INF5 het in [land 5] gevestigde bedrijf [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ) aangewezen als importeur gemachtigd om de goederen onder de regeling AV te plaatsen.
2.5.
Op de inlichtingenbladen INF5 hebben de douaneautoriteiten van de desbetreffende lidstaten aangetekend hoeveel niet-Uniegoederen onder de regeling kunnen worden geplaatst, de datum waarop de voorafgaande uitvoer (van de reeds veredelde equivalente goederen) heeft plaatsgevonden en de datum waarop de opvolgende invoer uiterlijk moet plaatsvinden. De aangiften van belanghebbende vallen alle binnen de toegestane grondstoffen, hoeveelheden en termijnen. De Nederlandse douane heeft bij het aanvaarden van de aangiften (IM) de aangegeven hoeveelheden telkens afgeschreven op (de allonge die is gehecht aan) de inlichtingenbladen INF 5 en deze bladen, na volledige benutting, retour gezonden aan het in vak 7 vermelde controlekantoor in de lidstaat van afgifte.
2.6.
In alle aangiften heeft belanghebbende [product] van GN-posten 7601 respectievelijk 7606 aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling actieve veredeling EX/IM. Tot de gedingstukken behoren volmachten tot directe vertegenwoordiging van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 5] , afgegeven aan belanghebbende. [bedrijf 6] (uit [land 5] ) heeft een volmacht tot
indirecte vertegenwoordiging verleend aan belanghebbende. Belanghebbende heeft echter alle aangiften ingevuld als waren zij in eigen naam en voor eigen rekening gedaan.
2.7.
In de aangiftedossiers waren telkens de volgende gegevens aanwezig:
  • Kopie aangifte IMA;
  • Inlichtingenblad INF5;
  • Factuur, en
  • Klantinstructies.
De onder 2.6 vermelde volmachten en de onder 2.4 genoemde AV-vergunningen bevonden zich elders in de administratie van belanghebbende.
2.8.
In het rapport dat is opgemaakt van de onder 2.2 genoemde controle, gedagtekend 3 september 2020, is onder meer vermeld:

3.1 Vertegenwoordiging
(…) De 92 onderzochte douaneaangiften vermelden [belanghebbende] als aangever. De vermelding van [belanghebbende] als persoon van de aangever is een onbedoelde vergissing die berust op een kennelijke tikfout. Immers op basis van de hiervoor afgegeven machtigingen en instructies van vertegenwoordigden had [belanghebbende] bij alle 92 douaneaangiften op moeten treden als vertegenwoordiger.
Het betreft de volgende vertegenwoordigden die genoemd zijn als importeur op de inlichtingenbladen INF 5:
• Indirecte vertegenwoordiging
[bedrijf 6] ( [bedrijf 6] ) (producent is [bedrijf 4] )
• Directe vertegenwoordiging
[bedrijf 1]
[bedrijf 2]
[bedrijf 5] (producent is [bedrijf 3] )
[Belanghebbende] had overigens met inachtneming van het Handboek Douane (2.00.00 paragraaf 3.1.4 ‘Vertegenwoordiging bij plaatsing onder een bijzondere regeling’) in het geheel niet als indirecte vertegenwoordiger mogen optreden voor de 29 onderzochte douaneaangiften van [bedrijf 6] ( [bedrijf 6] ).
3.2
Beoordeling bescheiden
(…)
De gegevens inzake goederengegevens, land van oorsprong, douanewaarde, netto kilogrammen en bescheidnummers waren juist overgenomen in de douaneaangiften. In de 92 douaneaangiften stond [belanghebbende] genoemd als aangever, terwijl het bedrijf niet als gemachtigde importeur stond genoemd in vak 2 van de overgelegde inlichtingenbladen INF 5. Om deze reden is [belanghebbende] niet gemachtigd om de goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen.
Uit de aangiftedossiers blijkt dat de bij invoer overgelegde inlichtingenbladen INF5 en/of de daarbij behorende allonges zijn geaccepteerd en afgetekend door de Douane. In de kolom ‘afdrukdienststempel’ is een paraaf, een naam dan wel naamstempel en een afdruk van een metalen dienststempel opgenomen.
(…)
Uit de controle is gebleken dat [belanghebbende] als douane-expediteur voor eigen naam en rekening 92 douaneaangiften heeft gedaan voor de regeling actieve veredeling, terwijl [belanghebbende] als aangever niet beschikte over de juiste vergunning actieve veredeling. Daarnaast was [belanghebbende] niet genoemd in het inlichtingenblad INF 5 als gemachtigde om de goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen. Om gebruik te kunnen maken van de schorsing van douanerechten op industrieproducten hadden deze douaneaangiften op grond van artikel 170 DWU alleen door [belanghebbende] gedaan kunnen worden door middel van vertegenwoordiging.
(…)
3.3
Beoordeling wijziging douaneaangifte en tenietgaan douaneschuld
(…)
De uit equivalente Uniegoederen vervaardigde veredelingsproducten zijn voorafgaand aan de invoer uitgevoerd. Om dezelfde hoeveelheid niet-Unie grondstoffen tegen een nultarief in te kunnen voeren is een inlichtingenblad INF 5 geldig gemaakt. Deze hoeveelheden grondstoffen zijn exact ingevoerd. Aan alle voorwaarden is voldaan, behalve het feit dat de naam van de aangever onjuist is opgenomen in de douaneaangifte.
(…)”

3.Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of de utb terecht aan belanghebbende is uitgereikt (zaak 24/3483) en of de desbetreffende aangiften kunnen worden gewijzigd met toepassing van artikel 173, lid 3, van het DWU (zaak 24/3482).

4.Beoordeling van het geschil

Zaak 24/3483 - utb
4.1.
Belanghebbende heeft een deel van haar verweer tegen het hoger beroep van de inspecteur aangeduid als ‘incidenteel hoger beroep’. Zij is evenwel door de rechtbank volledig in het gelijk gesteld en is het kennelijk eens met het dictum van de rechtbankuitspraak. Enkel de wijze waarop de rechtbank haar uitspraak heeft onderbouwd, wordt door belanghebbende bestreden. Het Hof gaat er daarom van uit dat de aanduiding ‘incidenteel hoger beroep’ op een vergissing berust en zal het gehele geschrift als verweerschrift in aanmerking nemen.
4.2.
De inspecteur stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank weliswaar met juistheid heeft geoordeeld dat douaneschulden zijn ontstaan, maar dat zij ten onrechte heeft geoordeeld dat die douaneschulden teniet zijn gegaan op grond van artikel 124, lid 1, onder h van het DWU, gelezen in samenhang met artikel 103, onder d, van de GDWU.
Belanghebbende betoogt ook in hoger beroep primair dat in het geheel geen douaneschulden zijn ontstaan, omdat er geen wettelijke belemmering voor haar bestond om de 92 aangiften te doen in eigen naam en voor eigen rekening. Zij verwijst ter zake onder meer naar het bepaalde in artikel 170, lid 1, van het DWU. Het Hof overweegt ter zake als volgt.
4.3.
Artikel 170, lid 1, eerste alinea, van het DWU bepaalt dat een douaneaangifte kan worden ingediend door eenieder die in staat is alle informatie te verstrekken die vereist is voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. Die persoon moet ook in staat zijn de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen. Het is tussen partijen – terecht – niet in geschil dat belanghebbende aan deze voorwaarden voldeed:
  • zij beschikte over de inlichtingenbladen INF5 waaruit blijkt wie de vergunninghouder is en wie, in voorkomend geval, de tot invoer gemachtigd importeur is ( [bedrijf 5] en [bedrijf 6] , zie 2.4) en heeft deze inlichtingenbladen INF5 telkenmale ook fysiek aan de douane overgelegd;
  • belanghebbende beschikte ten tijde van het doen van de aangiften voor alle zendingen over inklaringsinstructies, óf van de vergunninghouder zelf ( [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) óf van de importeur die door de vergunninghouder is gemachtigd de goederen onder de regeling te plaatsen ( [bedrijf 5] en [bedrijf 6] );
  • zij beschikte over de handelsfactuur, en
  • zij was in staat de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen.
Hieruit volgt dat belanghebbende in beginsel de desbetreffende aangiften mocht doen in eigen naam en voor eigen rekening.
4.4.
Artikel 170, lid 1, tweede alinea, van het DWU brengt evenwel een beperking aan: indien de aanvaarding van een douaneaangifte bijzondere verplichtingen voor een bepaalde persoon met zich brengt, dient die aangifte door deze persoon zelf of door zijn vertegenwoordiger te worden ingediend. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld doet een dergelijke situatie zich hier niet voor. De aanvaarding van de door belanghebbende in eigen naam en voor eigen rekening ingediende aangiften brachten geen bijzondere verplichtingen met zich, noch voor de vergunninghouder, noch voor de eventuele gemachtigd importeur. Het Hof zal dit oordeel in het hiernavolgende nader toelichten.
4.5.
In alle gevallen is gebruik gemaakt van de douaneregeling actieve veredeling EX/IM. Dit betekent dat verkregen veredelingsproducten zijn uitgevoerd vóórdat eenzelfde hoeveelheid niet-Uniegoederen onder de regeling actieve veredeling werd geplaatst. Bij actieve veredeling EX/IM is de aangifte tot plaatsing van de niet-Uniegoederen onder de regeling actieve veredeling dus niet de start, maar het sluitstuk van de regeling. Uit artikel 269 van de UDWU volgt dat de aangifte tot plaatsing van niet-Uniegoederen onder de douaneregeling actieve veredeling EX/IM er niet toe leidt dat deze goederen zich op enig moment daadwerkelijk onder de regeling actieve veredeling bevinden. In plaats daarvan heeft de aangifte een tweetal andere rechtsgevolgen:
de reeds uitgevoerde veredelingsproducten worden niet-Uniegoederen (met terugwerkende kracht, namelijk op het tijdstip van de vrijgave ervan voor de regeling uitvoer), en
de ingevoerde niet-Uniegoederen worden Uniegoederen.
De niet-Uniegoederen komen dus niet daadwerkelijk onder de regeling actieve veredeling. De door belanghebbende in eigen naam en voor eigen rekening ingediende aangiften brachten voor de desbetreffende vergunninghouders en gevolmachtigd importeurs dan ook geen bijzondere verplichtingen met zich die vóór de aanvaarding van de aangiften nog niet op hen rustten.
4.6.
De aanvaarding van een aangifte tot plaatsing van niet-Uniegoederen onder de regeling actieve veredeling EX/IM brengt ook anderszins geen bijzondere verplichtingen voor een bepaalde persoon met zich. Artikel 205, lid 3, van het DWU schept, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen bijzondere verplichting voor een bepaalde persoon. De in artikel 205, lid 3 DWU voorziene uitsluiting van de vrijstelling voor terugkerende goederen, indien sprake is van veredelingsproducten die zijn uitgevoerd in het kader van de regeling actieve veredeling EX/IM, geldt voor
eeniederdie de veredelingsproducten weer zou willen invoeren in de EU, nog daargelaten dat deze uitsluiting van de vrijstelling niet als een uit de aanvaarding van de aangifte voortvloeiende ‘verplichting’ kan worden aangemerkt.
4.7.
Gelet op het vorenoverwogene stond het bepaalde in artikel 170, lid 1, tweede alinea, van het DWU er niet aan in de weg dat belanghebbende de onderwerpelijke aangiften deed in eigen naam en voor eigen rekening. Door het indienen van de aangiften zijn daarom geen douaneschulden ontstaan. Het hoger beroep van de inspecteur faalt reeds om die reden.
4.8.
Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.
Zaak 24/3482 – wijziging aangiften
4.9.
Het vorenoverwogene brengt tevens met zich dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de inspecteur terecht heeft geweigerd de desbetreffende aangiften te wijzigen: voor een wijziging is geen aanleiding, reeds omdat belanghebbende daarbij geen belang heeft. Het hoger beroep van belanghebbende faalt dus evenzeer.
Slotsom
4.10.
De slotsom is dat de hogerberoepen ongegrond zijn. De uitspraken van de rechtbank dienen te worden bevestigd, met verbetering van gronden als hiervoor vermeld.

5.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 25 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.