ECLI:NL:GHAMS:2025:3621

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
200.328.520/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en afwijzing vorderingen in hoger beroep inzake aansprakelijkheid transport en verzekering

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een geschil tussen Ergo Hestia SA en Wings and Wheels Express B.V. (CTS) betreffende aansprakelijkheid voor een vermiste lading audioapparatuur. De rechtbank Noord-Holland had eerder beslist dat CTS aansprakelijk was voor de schade van € 214.618,63 die was ontstaan door de vermissing van de pallets, die waren vervoerd door een onderaannemer. Ergo Hestia, de verzekeraar van CTS, was niet verschenen in de eerste aanleg en werd door de rechtbank veroordeeld tot betaling aan CTS. Ergo Hestia ging in hoger beroep, stellende dat de inleidende dagvaarding nietig was omdat deze niet in persoon aan haar was betekend. Het hof oordeelde dat de inleidende dagvaarding inderdaad nietig was, maar dat Ergo Hestia desondanks ontvankelijk was in haar hoger beroep omdat zij niet eerder op de hoogte was gesteld van het vonnis. Het hof oordeelde verder dat Ergo Hestia niet gehouden was tot dekking onder de verzekeringsovereenkomst, omdat de werkzaamheden die door Cubatic waren verricht niet onder de dekking vielen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van CTS af, waarbij CTS werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.328.250/01
zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/311957 / HA ZA 21-22
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
inzake
ERGO HESTIA SA,
gevestigd te Sopot, Polen,
appellante,
advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam,
tegen
WINGS AND WHEELS EXPRESS B.V.,
tevens handelend onder de naam CTS Group European Distribution,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat: mr. M.A.C. van Guldener te Hoogeveen.
Partijen worden hierna Ergo Hestia en CTS genoemd.

1.De zaak in het kort

Falcon Logistics B.V. (hierna: Falcon) heeft opdracht gegeven aan CTS om een lading pallets met audioapparatuur te vervoeren van Nederland naar Duitsland. CTS heeft het transport uitbesteed aan Cubatic, die het op haar beurt weer heeft uitbesteed aan een partij die zich heeft voorgedaan als Vovotrans Danilo Zvikart s.p. (hierna: ‘Vovotrans’). Na ontvangst van de lading door Vovotrans, zijn de pallets vermist geraakt. Zij zijn niet aangekomen op het afleveradres in Duitsland. Falcon heeft CTS aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan als gevolg van deze vermissing.
In de hoofdzaak is door de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 8 september 2021 beslist dat CTS aansprakelijk is voor de schade van € 214.618,63 die is veroorzaakt door ‘Vovotrans’ en deze schade dient te vergoeden.
In de vrijwaringsprocedure in eerste aanleg heeft CTS veroordeling van Cubatic en/of Ergo Hestia gevorderd tot betaling van datgene waartoe CTS als gedaagde in de hoofdzaak tegen Falcon is veroordeeld. Ergo Hestia is bij de rechtbank niet verschenen. Cubatic en Ergo Hestia zijn door de rechtbank veroordeeld tot betaling aan CTS waartoe CTS in de hoofdzaak is veroordeeld. Ergo Hestia is tegen deze veroordeling in hoger beroep gekomen.

2.Het geding in hoger beroep

Ergo Hestia is bij dagvaarding van 22 februari 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 19 oktober 2022 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen CTS als eiseres en (onder andere) Ergo Hestia (hierna: het vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met producties
- memorie van antwoord met een productie.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 3 februari 2025 laten toelichten. Ergo Hestia door mr. B. Neureiter di Torrero, advocaat te Rotterdam en CTS door mr. J. Mulder, advocaat te Hoogeveen, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Ergo Hestia heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een productie aan het hof en de wederpartij toegezonden.
Het hof heeft de zaak aangehouden om CTS in de gelegenheid te stellen stukken van de betekening van de inleidende dagvaarding aan Ergo Hestia bij akte over te leggen, waarop Ergo Hestia dan kan reageren. CTS heeft een akte met producties genomen, waarop Ergo Hestia bij antwoordakte heeft gereageerd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
CTS heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

3.Bevoegdheid

3.1.
De rechtbank heeft zich terecht bevoegd geacht om van de vordering van CTS kennis te nemen.

4.Nietigheid inleidende dagvaarding

4.1.
Ergo Hestia stelt, onder verwijzing naar HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629, dat “voor zover [haar] bekend” de inleidende dagvaarding niet in persoon aan haar is betekend, waardoor zij ontvankelijk is in haar hoger beroep hoewel de beroepstermijn was verstreken toen zij op 22 februari 2023 beroep instelde. Het hof heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling aangehouden om CTS in de gelegenheid te stellen de stukken van de betekening van de inleidende dagvaarding in het geding te brengen teneinde te beoordelen of de inleidende dagvaarding in persoon is betekend aan Ergo Hestia.
CTS heeft bij akte stukken betreffende de betekening in het geding gebracht. Een certificaat van betekening van de inleidende dagvaarding aan Ergo Hestia, dan wel een namens Ergo Hestia ondertekend bericht van ontvangst van het aangetekend schrijven houdende de inleidende dagvaarding, een en ander overeenkomstig de Betekeningsverordening 2007/1393, ontbreekt echter. Dit brengt met zich dat de inleidende dagvaarding nietig is. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, zijn niet aangevoerd.
4.2.
Ergo Hestia meent dat het vonnis moet worden vernietigd, reeds omdat de inleidende dagvaarding nietig is. Het hof volgt haar echter daarin niet en overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge art. 122 Rv betreffende het geval van een gedaagde die na bij verstek te zijn veroordeeld in verzet komt, verwerpt de rechter zijn beroep op nietigheid van de dagvaarding, indien het gebrek hem niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad. Dezelfde regel dient te gelden in een geval als dit, waarin van de twee gedaagden een van hen is verschenen en het vonnis daarom ingevolge art. 140 lid 3 Rv als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Ergo Hestia heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat haar belangen onredelijk kunnen zijn geschaad door de nietige inleidende dagvaarding.
5. Ontvankelijkheid hoger beroep
5.1.
Het vonnis is uitgesproken op 19 oktober 2022. De dagvaarding in hoger beroep van Ergo Hestia is op 22 februari 2023 aan CTS betekend. De beroepstermijn van drie maanden was toen dus verstreken. Ergo Hestia betoogt dat zij desondanks ontvankelijk is in haar hoger beroep en voert daartoe het volgende aan. De inleidende dagvaarding is niet in persoon aan haar betekend. Zij werd bekend met het vonnis toen CTS haar per mail van 17 februari 2023 voor het eerst sommeerde om aan het vonnis te voldoen. Ergo Hestia heeft voor het einde van de beroepstermijn geen kennis genomen en ook geen kennis kunnen nemen van het vonnis. Nu zij binnen een paar dagen nadat zij bekend werd met het vonnis hoger beroep heeft ingesteld, dient een niet-ontvankelijkverklaring achterwege te blijven gezien HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894.
5.2.
Het hof is van oordeel dat Ergo Hestia ontvankelijk in haar hoger beroep is. Zoals hiervoor overwogen, dient ervan te worden uitgegaan dat de inleidende dagvaarding niet in persoon aan haar is betekend. Verder is niet gesteld of gebleken dat zij eerder dan op
17 februari 2023 bekend is geraakt met het vonnis. Het enkele feit dat Cubatic, de verzekeringsnemer en verzekerde van Ergo Hestia, op de hoogte was van het vonnis, is daartoe onvoldoende. De stelling van CTS dat Ergo Hestia “als professionele verzekeraar in ieder geval had behoren te weten, dat haar verzekeringsnemer in rechte was betrokken”, kan, daargelaten de juistheid van deze stelling, er niet toe leiden dat Ergo Hestia de toegang tot de rechter wordt ontzegd.

6.Feiten

De rechtbank heeft in 3.1 tot en met 3.8 van het vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat komen deze feiten op het volgende neer.
6.1.
Falcon heeft voor het vervoer van een partij audioapparatuur ter waarde van
€ 214.618,63 van Hoofddorp naar Burgebrach, Duitsland opdracht verstrekt aan CTS.
6.2.
CTS heeft het transport op haar beurt uitbesteed aan de Poolse vervoerder Cubatic, die het vervoer op haar beurt heeft uitbesteed aan ‘Vovotrans’. De zending audioapparatuur, die op 7 april 2020 door een vervoerder is opgehaald, is niet op de plaats van bestemming aangekomen.
6.3.
CTS heeft Cubatic bij brief van 15 april 2020 aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van het vermiste zending.
6.4.
Bij vonnis van 8 september 2021 van de rechtbank Noord-Holland is in de hoofdzaak beslist dat CTS aansprakelijk is voor de schade die is veroorzaakt door ‘Vovotrans’ en deze schade aan Falcon dient te vergoeden. De door Falcon gevorderde schadevergoeding van
€ 214.618,63 is toegewezen.

7.Eerste aanleg

7.1.
CTS heeft in eerste aanleg in de vrijwaringszaak gevorderd dat Cubatic en/of Ergo Hestia wordt/worden veroordeeld om aan CTS te betalen al hetgeen waartoe CTS in de hoofdzaak (zie 6.4) mocht worden veroordeeld.
7.2.
De rechtbank heeft de vordering jegens Cubatic en Ergo Hestia toegewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de opzet van de daders op de voet van art. 3 jo. art. 29 CMR wordt toegerekend aan Cubatic als ware het haar eigen opzet, dat Cubatic aldus jegens CTS onbeperkt aansprakelijk is voor de schade die door de verduistering is ontstaan en dat daarmee ook de vordering jegens Ergo Hestia toewijsbaar is.

8.Beoordeling

8.1.
Ergo Hestia heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis, afwijzing van de vorderingen van CTS en, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van CTS in de proceskosten, met nakosten en rente.
CTS heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Ergo Hestia in haar hoger beroep, bekrachtiging van het vonnis en, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van CTS in de kosten van dit hoger beroep.
8.2.
CTS heeft in verband met een rechtstreeks vorderingsrecht naar Pools recht op Ergo Hestia, ervoor gekozen om Ergo Hestia in deze procedure te betrekken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringscontract tussen Ergo Hestia en Cubatic wordt beheerst door Pools recht. Partijen zijn hiertegen niet in hoger beroep opgekomen, zodat ook het hof hiervan uitgaat.
8.3.
Ergo Hestia werpt in grief 1 op dat er geen dekking onder de verzekeringsovereenkomst is. Zij heeft in de met Cubatic gesloten verzekeringsovereenkomst enkel expeditie-werkzaamheden gedekt, wat blijkt uit de verzekeringspolis en het -certificaat die zijn overgelegd. In dit geval heeft Cubatic vervoerswerkzaamheden verricht, waarbij het niet uitmaakt dat Cubatic het vervoer heeft uitbesteed, aldus Ergo Hestia.
8.4.
CTS voert ten eerste aan dat dit betoog van Ergo Hestia tardief is, maar ten onrechte. Gezien de herkansingsfunctie van het hoger beroep, is het Ergo Hestia toegestaan een verweer voor het eerst in hoger beroep te voeren.
8.5.
Verder meent CTS, ongeacht de polis van Cubatic, dat Ergo Hestia gehouden kan worden aan het (impliciet) verlenen van verzekeringsdekking, aangezien zij een onderzoeks-bureau heeft ingeschakeld om nader onderzoek te doen naar de vervoersovereenkomst en naar wat er met de vervoerde apparatuur is gebeurd. Aldus mocht CTS er gerechtvaardigd op vertrouwen dat Ergo Hestia, al dan niet coulancehalve, dekking zou bieden voor de onderhavige schade.
Ook heeft zij tijdens de zitting in hoger beroep erop gewezen dat de
letter of representationvan 24 april 2020 van het onderzoeksbureau als
Loss Novermeldt WA50/11284/20, waarbij WA50 verwijst naar de polisvoorwaarden van de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering, kenmerk TM/OW050/2402, van Ergo Hestia. De polisvoorwaarden van de expediteurs-aansprakelijkheidsverzekering van Ergo Hestia hebben het kenmerk TM/OW023/1809. In het dekkingsstandpunt wordt ook als nummer van de schadeclaim vermeld WA50/11284/20. CTS vindt het onwaarschijnlijk dat Ergo Hestia niet ook een vervoerdersaanaansprakelijkheids-verzekering met Cubatic heeft gesloten. CTS verzoekt het hof Ergo Hestia te bevelen stukken te overleggen waaruit blijkt welke verzekeringen ten behoeve van Cubatic waren afgesloten op het moment van de schade, alsook het acceptatiedossier van Cubatic.
8.6.
Het hof overweegt als volgt. In het dekkingsstandpunt van Ergo Hestia van 22 juni 2020 wordt de claim van Cubatic getoetst aan de expediteursaansprakelijkheidsverzekering, waarop de algemene voorwaarden met het kenmerk TM/OW023/1809 van toepassing zijn. Niet gesteld of gebleken is dat Cubatic zich tegen de afwijzing van haar claim verzet heeft, wat wel voor de hand zou hebben gelegen als zij ook een vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering met Ergo Hestia had gesloten. Het vermelde nummer in de
letter of representationen het dekkingsstandpunt, dat volgens CTS verwijst naar de polisvoorwaarden van de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering, is onvoldoende om anders te oordelen. Hierbij merkt het hof op dat in het kenmerk van die polisvoorwaarden staat OW050 en niet WA50. Andere relevante feiten en omstandigheden zijn door CTS niet aangevoerd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een bevel op grond van art. 22 lid 1 Rv aan Ergo Hestia te geven om stukken te overleggen waaruit blijkt welke verzekeringen ten behoeve van Cubatic waren afgesloten op het moment van de schade, alsook het acceptatiedossier van Cubatic. Het hof neemt als vaststaand aan dat een dergelijke verzekering niet is gesloten.
8.7.
Ergo Hestia betwist dat CTS gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat zij dekking zou verlenen en dat dit naar Pools recht kan leiden tot een ‘impliciete dekking’ in verband waarmee CTS een directe actie zou hebben. Zij voert aan dat Poolse verzekeraars wettelijk verplicht zijn onderzoek naar aanleiding van een melding van een verzekerde en dat het onderzoek mede ertoe strekte om vast te stellen of Cubatic als vervoerder of expediteur moest worden gekwalificeerd. Het enkele feit dat een verzekeraar feiten aan het vergaren is naar aanleiding van een melding van een verzekerde, betekent volgens Ergo Hestia voorts niet dat dekking zal worden verleend.
CTS heeft in het licht hiervan de door haar gestelde ‘impliciete dekking’ (naar Pools recht)
– op basis van gerechtvaardigd vertrouwen dat dekking zou worden verleend – onvoldoende concreet gesteld. Los daarvan heeft zij niet (voldoende) geconcretiseerd dat en waarom haar naar Pools recht in een geval van ‘impliciete dekking’ een directe actie zou toekomen ten aanzien van Ergo Hestia.
8.8.
De grieven 1 en 2 falen. Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en de vorderingen van CTS jegens Ergo Hestia worden alsnog afgewezen. Het bewijsaanbod van CTS wordt gepasseerd, aangezien zij geen voldoende onderbouwde stellingen te bewijzen heeft aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
CTS is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties. Daarmee slaagt ook grief 3, die ziet op de proceskosten. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
eerste aanleg:
kosten nihil
hoger beroep:
- explootkosten € 125,86
- griffierecht € 5.689,00
- salaris advocaat
€ 11.070,00(tarief VI, 2,5)
totaal € 16.884,86

9.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van CTS af;
veroordeelt CTS in het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van Ergo Hestia vastgesteld op € 16.884,86 en op € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, L. Alwin en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.