ECLI:NL:GHAMS:2025:3630

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.334.568
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van concurrentiebeding in vaststellingsovereenkomst

In deze zaak gaat het om de uitleg van een concurrentiebeding in een vaststellingsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerden]. [appellant] had bemiddeld bij de verkoop van producten van [geïntimeerden] en heeft een andere BV opgericht, [bedrijf 1], met de intentie om dezelfde producten te verkopen. Dit leidde tot een vaststellingsovereenkomst waarin onder andere een concurrentiebeding was opgenomen. [appellant] vorderde betaling van een klantenvergoeding, maar [geïntimeerden] stelde dat het concurrentiebeding was overtreden. Het hof concludeert dat het concurrentiebeding inderdaad is overtreden, waardoor het recht op de klantenvergoeding is komen te vervallen. De zaak is behandeld in hoger beroep na een eerdere afwijzing door de kantonrechter. Het hof heeft de feiten en de uitleg van het concurrentiebeding zorgvuldig overwogen en komt tot de conclusie dat de activiteiten van [bedrijf 1] onder het concurrentiebeding vallen. De vordering van [appellant] wordt afgewezen en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.334.568/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 10160655 \ CV EXPL 22-5018
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
in de zaak van
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in [plaats 1] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudende in Rotterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

gevestigd en kantoorhoudende in [plaats 2] , gemeente Medemblik,
2. [geïntimeerde 2],
gevestigd in [plaats 2] en kantoorhoudende in [plaats 3] , gemeente Medemblik,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L. Bijl, kantoorhoudende in Hoorn.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] (enkelvoud) genoemd.

1.De zaak in het kort

Op basis van een tussen partijen gesloten agentuurovereenkomst heeft [appellant] bemiddeld bij de verkoop van producten van [geïntimeerden] . De enige bestuurder en aandeelhouder van [appellant] heeft een andere BV opgericht, te weten [bedrijf 1] , en het plan opgevat om via deze BV dezelfde producten als [geïntimeerden] te gaan verkopen. Dit heeft ertoe geleid dat [appellant] en [geïntimeerden] in een vaststellingsovereenkomst hebben afgesproken om de agentuurovereenkomst te beëindigen. Zij hebben in de vaststellingsovereenkomst verder geregeld: a) dat [appellant] recht heeft op een klantenvergoeding, b) een concurrentiebeding, en c) dat bij overtreding van het concurrentiebeding het recht op de klantenvergoeding vervalt.
In deze procedure heeft [appellant] betaling van de klantenvergoeding gevorderd. Hiertegen heeft [geïntimeerden] aangevoerd dat het concurrentiebeding is overtreden. Op grond van uitleg van het concurrentiebeding concludeert het hof dat dit beding inderdaad is overtreden en dat daarmee het recht op de klantenvergoeding is vervallen. De vordering van [appellant] is daarom niet toewijsbaar.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 25 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 26 juli 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, tevens verweerster in voorwaardelijke reconventie en [geïntimeerden] als gedaagde in conventie tevens eiseres in voorwaardelijke reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie 16;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met producties 27 tot en met 32;
- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met producties 17 tot en met 25;
- akte van [appellant] , met productie 26;
- akte van [geïntimeerden] , met producties 33 tot en met 38;
- akte van [appellant] , met producties 27 tot en met 29;
- akte van [geïntimeerden] , met producties 39 en 40;
- akte van [appellant] , met productie 30.
Een aanvankelijk op 5 februari 2025 geplande mondelinge behandeling is op verzoek van [geïntimeerden] vanwege een klemmende reden uitgesteld. Op 7 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling alsnog plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
[appellant] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente.
[geïntimeerden] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met, uitvoerbaar bij voorraad, “
veroordeling van Spijker in de volledige proceskosten (in eerste aanleg en in hoger beroep).
In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerden] geconcludeerd tot toewijzing van haar vorderingen in voorwaardelijke reconventie, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
[appellant] heeft in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van de grieven van [geïntimeerden] , met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van dit hoger beroep.

3.Feiten

3.1
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen, waaronder de tekst van het concurrentiebeding van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst. Hiertegen heeft [appellant] op zichzelf terecht aangevoerd dat het concurrentiebeding op twee punten onjuist is geciteerd, maar dat leidt nog niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof geeft hierna een nieuw overzicht van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen en corrigeert daarin de bedoelde - als verschrijvingen aan te merken - onjuistheden.
3.1.1.
[geïntimeerden] houdt zich bezig met het ontwikkelen, produceren en distribueren van desinfectiemiddelen en weerbaar telen producten voor onder meer land- en tuinbouwbedrijven. Zij produceert en verhandelt een desinfectiemiddel op basis van gestabiliseerde waterstofperoxide (verkort aangeduid als waterstofperoxide of H2O2) onder het merk [merk] . De indirect statutair bestuurder van [geïntimeerden] is [naam 3] .
3.1.2.
[naam 1] is indirect statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [appellant] .
3.1.3.
In 2015 hebben [geïntimeerden] en [appellant] een mondelinge agentuurovereenkomst gesloten. Op grond daarvan is [appellant] als handelsagent gaan bemiddelen bij de verkoop van desinfectie- en weerbaar telen producten van [geïntimeerden] . De afspraken zijn in januari 2019 vastgelegd in een schriftelijke agentuurovereenkomst voor de duur van twaalf jaar vanaf 1 januari 2019. In de overeenkomst was een geheimhoudings- en concurrentiebeding opgenomen.
3.1.4.
De grootste klant van [geïntimeerden] bij de verkoop van waterstofperoxide was de paprikakwekerij 4Evergreen, die voor [geïntimeerden] een omzet vertegenwoordigde van € 200.000,-- per jaar. De uiteindelijke eigenaren van 4Evergreen zijn [naam 2] en twee broers van hem.
3.1.5.
In januari 2020 hebben [naam 1] , [naam 2] en een van zijn broers de vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht. Zij zijn (via [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ) indirect statutair bestuurders en aandeelhouders van [bedrijf 1] , waarbij 50% van de aandelen indirect door [naam 1] worden gehouden. Het vestigingsadres van [bedrijf 1] is het woonadres van [naam 1] aan [straat] [nummer] , [postcode] [plaats 1] .
3.1.6.
Begin juni 2021 heeft [naam 2] contact opgenomen met [naam 3] en voorgesteld dat [bedrijf 1] waterstofperoxide van [geïntimeerden] onder een eigen merk (‘private label’) en afgeleide toelating gaat verkopen. Zij hebben hierover op 9 juni en 15 juli 2021 met elkaar gesproken. In deze gesprekken heeft [naam 2] aangegeven dat hij ook met een andere producent van waterstofperoxide in gesprek is en dat in het geval geen overeenstemming met [geïntimeerden] wordt bereikt zijn bedrijf 4Evergreen zal stoppen met het afnemen van waterstofperoxide van [geïntimeerden] . [naam 3] was toen nog niet ervan op de hoogte gesteld dat ook [naam 1] bij [bedrijf 1] is betrokken. In whatsappberichten van 9 juni en 15 en 19 juli 2021 heeft [naam 3] [naam 1] geïnformeerd over de inhoud van de gesprekken en daarbij aangegeven zich zorgen te maken dat ze 4Evergreen als klant zullen verliezen.
3.1.7.
Op of omstreeks 22 juli 2021, heeft [naam 1] aan [naam 3] medegedeeld dat ook hij betrokken is bij [bedrijf 1] . De gesprekken over een mogelijke samenwerking tussen [geïntimeerden] en [bedrijf 1] zijn daarna voortgezet
tussen [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] op (onder meer) 20 oktober 2021 en 10 november 2021. In deze gesprekken hebben [naam 2] en [naam 1] zich op het standpunt gesteld dat een samenwerking voor hen alleen interessant is als [bedrijf 1] de waterstofperoxide tegen aanzienlijk verlaagde prijzen bij [geïntimeerden] kan inkopen. Een alternatieve producent werd door hen overwogen en als de samenwerking met [geïntimeerden] niet door ging, dan zouden 4Evergreen en andere kwekerijen als klant weggaan bij [geïntimeerden] . Ook hebben zij aangegeven dat [bedrijf 1] op korte termijn wil schakelen en zo snel mogelijk de markt op wil. [naam 3] heeft zich op het standpunt gesteld dat [bedrijf 1] geen waterstofperoxide mag verkopen omdat dit in strijd is met het concurrentiebeding in de agentuurovereenkomst tussen [geïntimeerden] en [appellant] . De gesprekken hebben niet geleid tot afspraken over samenwerking tussen [geïntimeerden] en [bedrijf 1] .
3.1.8.
In een e-mail van 22 november 2021 heeft [naam 1] aan [naam 3] medegedeeld dat uit juridisch advies blijkt dat het concurrentiebeding in de agentuurovereenkomst nietig is en dat [bedrijf 1] actief zal worden op het gebied van de aan- en verkoop van waterstofperoxide, ongeacht wie de producent van keuze zal worden. In verband hiermee heeft hij voorgesteld om met elkaar in gesprek te gaan om samen de ‘spelregels’ te bepalen voor de bestaande klanten van [geïntimeerden] die waterstofperoxide via [appellant] kopen.
3.1.9.
Naar aanleiding hiervan heeft [naam 3] per e-mail van 25 november 2021 [naam 1] uitgenodigd voor een gesprek over de vraag hoe zij met elkaar verder gaan. Hij heeft daarbij een aantal uitgangspunten voor dit gesprek genoemd:

Je kiest voor het 1 of voor het ander: dus je gaat of via [bedrijf 1] H202 aanbieden onder eigen merk, of via [bedrijf 1] [merk]
- Via [bedrijf 1] ga je aanbieden bij nieuwe potentiële klanten, hiervoor kan je gebruik maken van een afgeleide toelating van [geïntimeerden]
- Klanten van [geïntimeerden] die [bedrijf 1] onder agentuurovereenkomst onderhoud blijven bij [geïntimeerden] en hier trek je je van terug
- We ontbinden de agentuurovereenkomst en maken een nieuwe overeenkomst met [bedrijf 1]
- We stroomlijnen onze wegen, waardoor we elkaars keuzes respecteren en zakelijke domeinen
- Ik ben bereid een competitieve inkoopprijs voor [bedrijf 1] aan te bieden waarmee jullie competitief kunnen zijn in de markt
- Als je respecteert wat is opgebouwd en je je terugtrekt van de [geïntimeerden] klanten, kunnen we ook tot een deal komen van de weerbaar telen producten onder private label (…)
3.1.10.
[geïntimeerden] heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat van haar niet kan worden gevergd om de agentuurovereenkomst te laten voortduren en dat daarom sprake is van een ‘dringende reden’ als bedoeld in artikel 7:439 lid 2 BW. In een gesprek op 20 december 2021 hebben [naam 3] en [naam 1] afgesproken om de agentuurovereenkomst met ingang van 1 januari 2022 te beëindigen. Dit zou in een vaststellingsovereenkomst worden vastgelegd.
3.1.11.
Per e-mail van 23 december 2021 heeft [naam 3] een concept van de vaststellingsovereenkomst aan [naam 1] verstuurd. In dit (eerste) concept is [naam 1] als derde contractspartij vermeld, naast [geïntimeerden] en [appellant] . In artikel 5 is een concurrentiebeding opgenomen met de volgende inhoud:

Het is [bedrijf 1] en [naam 4] (in de gehele wereld) verboden om gedurende de resterende duur van de agentuurovereenkomst alsmede om gedurende een periode van 6 maanden na de Einddatum, direct of indirect, al dan niet gehonoreerd, voor eigen rekening, in dienst van of anderszins voor rekening van derden:
a. de producten zoals omschreven inbijlage A, soortgelijke of aanverwante producten zelf te ontwikkelen of te vervaardigen, door derden te laten ontwikkelen of te vervaardigen, van een leverancier te kopen, te verkopen, aan te bieden, te distribueren of daarbij (als agent, adviseur, geldverstrekker, aandeelhouder of vennoot) op andere wijze betrokken te zijn.
b. diensten of werkzaamheden te verrichten die verband houden met de producten zoals omschreven inbijlage A, soortgelijke of aanverwante producten of daarbij (als agent, adviseur, geldverstrekker, aandeelhouder of vennoot) op andere wijze betrokken te zijn.
c. zakelijke betrekkingen aan te gaan en/of te onderhouden met klanten van [geïntimeerden] . Dit beding geldt ongeacht van wie het initiatief tot (het aangaan van) de zakelijke betrekkingen uitgaat. Onder zakelijke betrekkingen wordt verstaan: indiensttreding bij klanten van [geïntimeerden] of anderszins werkzaam te zijn voor klanten, het doen of aanvaarden van offertes, het verstrekken van adviezen of informatie, het geven van opdrachten aan klanten, het verrichten van marketingactiviteiten gericht op klanten alsmede het aangaan van overeenkomsten met klanten. Onder klanten wordt verstaan:
(rechts)personen met wie [geïntimeerden] een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot de verkoop van producten of het verrichten van diensten of aan wie [geïntimeerden] voor de Einddatum een aanbieding tot verkoop van producten of het verrichten van diensten heeft gedaan.
3.1.12.
Op dezelfde datum heeft [naam 1] per e-mail geantwoord:
“Ik laat deze overeenkomst toetsen door mijn advocaat. Mij valt bij het lezen van de vaststellingsovereenkomst [op] dat het niet strookt met wat we deze week zijn overeengekomen. (…) Je hoort nog van mij.”
3.1.13.
Vervolgens heeft [naam 1] in een e-mail van 29 december 2021 inhoudelijk gereageerd op de eerste conceptversie van de vaststellingsovereenkomst:

Zoals al aangegeven, herken ik me op een aantal punten niet in het toegezonden concept van de vaststellingsovereenkomst. Ik verzoek je vriendelijk om over te gaan tot het doorvoeren van onderstaande wijzigingen en aanvullingen. (…)
- Alleen [bedrijf 1] B.V. is partij, als privé-persoon ben ik dat niet. Ik wil me overigens wel verbinden aan enkele passages, wil best 'voor akkoord' in persoon medeondertekenen, maar partij 3. moet worden verwijderd;
(…)
- De laatste volzin van artikel 4 moet geheel komen te vervallen. Daar hebben we het niet over gehad. Voor de goede orde: ik zal me natuurlijk aan verplichtingen van het nader te formuleren artikel 5 houden.
(…)
- De voorgestelde inhoud van artikel 5 gaat te ver. Wat we hebben afgesproken is:
‘Het is [bedrijf 1] verboden om, in Nederland en België, gedurende de resterende duur van de agentuurovereenkomst alsmede gedurende een periode van 6 maanden na de Einddatum, actief competitie te voeren voor en/of op het gebied van (concurrerende) zilver gestabiliseerde waterstof peroxide en weerbaar telen-producten’.
Dit graag aldus wijzigen;”
3.1.14.
Naar aanleiding van deze reactie heeft [naam 3] in een whatsappbericht van 29 december 2021 om 14.31 uur aan [naam 1] gevraagd:
“Bedoel je met je feedback dat je met een andere BV wel H2O2 mag aanbieden?”
Daarop heeft [naam 1] in een whatsappbericht van dezelfde dag om 14.35 uur geantwoord:

Ik bedoel hiermee dat ik mezelf niet actief mag bezig houden met de verkoop van Ag gestabiliseerde peroxiden en weerbaar telen producten gedurende de komende 6 maanden.
3.1.15.
Per e-mail van 30 december 2021 heeft [naam 3] een tweede, aangepast concept van de vaststellingsovereenkomst toegestuurd. Daarin zijn alleen [geïntimeerden] en [appellant] als contractspartijen vermeld. Het concurrentiebeding van artikel 5 is in dit tweede concept als volgt geformuleerd:

Het is [bedrijf 1] en haar statutair bestuurder, de heer [naam 4] verboden om gedurende de resterende duur van de agentuurovereenkomst alsmede om gedurende een periode van 6 maanden na de Einddatum, direct of indirect, al dan niet gehonoreerd, voor eigen rekening, in dienst van of anderszins voor rekening van derden:
a. de producten zoals omschreven inbijlage A, soortgelijke of aanverwante producten zelf te ontwikkelen of te vervaardigen, door derden te laten ontwikkelen of te vervaardigen, van een leverancier te kopen, te verkopen, aan te bieden, te distribueren of daarbij (als agent, adviseur, geldverstrekker, aandeelhouder of vennoot) op andere wijze betrokken te zijn.
b. diensten of werkzaamheden te verrichten die verband houden met de producten zoals omschreven inbijlage A, soortgelijke of aanverwante producten of daarbij (als agent, adviseur, geldverstrekker, aandeelhouder of vennoot) op andere wijze
betrokken te zijn.
c. zakelijke betrekkingen aan te gaan en/of te onderhouden met klanten van [geïntimeerden] . Dit beding geldt ongeacht van wie het initiatief tot (het aangaan van) de zakelijke betrekkingen uitgaat. Onder zakelijke betrekkingen wordt verstaan:
indiensttreding bij klanten van [geïntimeerden] of anderszins werkzaam te zijn voor klanten, het doen of aanvaarden van offertes, het verstrekken van adviezen of informatie, het geven van opdrachten aan klanten, het verrichten van marketingactiviteiten gericht op klanten alsmede het aangaan van overeenkomsten met klanten. Onder klanten wordt verstaan: (rechts)personen met wie [geïntimeerden] een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot de verkoop van producten of het verrichten van diensten of aan wie [geïntimeerden] voor de Einddatum een aanbieding tot verkoop van producten of het verrichten van diensten heeft gedaan.”.
3.1.16.
In een e-mail van dezelfde datum heeft [naam 1] als volgt op het tweede concept gereageerd:

(…) De voorgestelde inhoud van artikel 5 gaat te ver. Wat we op vrijdag 17 december hebben afgesproken is:

Het is [bedrijf 1] verboden om, in Nederland en België, gedurende de resterende duur van de agentuurovereenkomst alsmede gedurende een periode van 6 maanden na de Einddatum, actief competitie te voeren voor en/of op hetgebied van (concurrerende) zilvergestabiliseerde waterstof peroxide en weerbaar telen-producten”. Dit graag aldus wijzigen.
3.1.17.
Op 31 december 2021, om 17.09 uur, heeft [naam 1] per mail een door hem aangepaste en ondertekende derde versie van de vaststellingsovereenkomst aan [naam 3] verstuurd. Hij heeft in de e-mail geschreven:

Zie bijgaand (…) het getekend document, waarin ik de afspraken heb neergelegd zoals wij die zijn overeengekomen. Zie met name artikel 5, de inhoud van dit artikel in bijgevoegd document omhelst hetgeen wij op maandag 20-12 jl hebben besproken. Dit is waar ik me hoe dan ook aan zal houden, omdat we dit immers mondeling zo zijn overeengekomen.
[naam 3] heeft de derde, definitieve, versie van de overeenkomst ook op 31 december 2021 ondertekend.
3.1.18.
In de definitieve vaststellingsovereenkomst staan onder meer de volgende bepalingen. De einddatum van de agentuurovereenkomst is 1 januari 2022 (artikel 1).
In artikel 4 is bepaald dat [geïntimeerden] aan [appellant] een klantenvergoeding betaalt van € 68.000,-- (exclusief btw) in zes maandelijkse termijnen. Indien [geïntimeerden] een termijn niet of niet tijdig betaalt dan wordt de klantenvergoeding zonder ingebrekestelling terstond volledig opeisbaar, behoudens in het geval dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen uit hoofde van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst. Wat betreft het concurrentiebeding is het volgende bepaald:
“5. Het is [bedrijf 1] en haar statutair bestuurder, de heer [naam 4] verboden om gedurende de resterende duur van de agentuurovereenkomst alsmede om
gedurende een periode van 6 maanden na de Einddatum, , actief de markt te
benaderen/competitie te voeren voor en/of op het gebied van (concurrerende)
gestabiliseerde waterstof peroxide en weerbaar telen-producten”. Zoals omschreven
in bijlage A
6. [bedrijf 1] en/of haar statutair bestuurder de heer [naam 4] zijn/is van rechtswege in verzuim indien zij in strijd met hun verplichtingen uit hoofde van artikel 5 handelt/handelen. Bij overtreding van de verplichtingen uit hoofde van artikel 5 komt het recht op de klantenvergoeding volledig te vervallen.”
3.1.19.
In de eerste helft van 2022 is in flyers van [bedrijf 1] een op waterstofperoxide gebaseerd middel voor het reinigen en ontsmetten van irrigatiesystemen en oppervlakten van tuinbouwkassen gepresenteerd, met voor de Nederlandse markt de naam ‘Oxiline-50’ en voor de Belgische markt ‘Aqua-Clean’. In de flyers is als enige (mobiele) telefoonnummer dat van [naam 1] vermeld.
3.1.20.
Op 8 januari 2022 heeft [naam 1] een e-mail gestuurd aan [bedrijf 4] , ter attentie van [naam 5] . Hij heeft in deze e-mail (met onderwerp: “
En een nieuwe start – [bedrijf 1] BV”) onder meer geschreven:
“Beste [naam 5] , (…)
In onderling overleg is per 1-1-2022 de samenwerking met [geïntimeerden] beëindigd en gaan we ieder onze eigen weg.
Zoals je misschien al hebt vernomen ben ik samen met de Grootscholte Groep begin 2019 een nieuw bedrijf[bedrijf 1] BVgestart.
(…)
De samenwerking is uniek omdat we in staat zijn optimaal in te spelen op behoeften/vragen vanuit de kwekerij. Dit kan zijn op het gebied van reiniging van materialen en systemen of optimalisatie van waterkwaliteit, monitoring, sturingen en waterprocessen. Op basis van deze behoeften onderzoeken we de mogelijkheden om hierin te voorzien met nieuwe ontwikkelingen. Dit heeft geresulteerd in een aantal nieuwe producten, die met veel enthousiasme door kwekers worden ingezet om in hun specifieke behoeften te voorzien.
Zo hebben we behalve de Arclean, nu ookvoedselveiligeproducten met NSF certificering in ons product gamma die worden toegepast in de verschillende sierteelten en groententeelten (…) voorhet snel, eenvoudig en effectiefreinigen van buisrailkarren, oogstkarren, sorteerbanden, sorteermachines, betonvloeren, gevels (binnen en buiten), kratten en containers.
Andere innovaties:[bedrijf 1] heeft in samenwerking met een aantal kwekers een aantal technologieën ontwikkeld waardoor het mogelijk wordt om de kwaliteit van het gietwater verder te verbeteren.
Neem gerust contact met ons op als je meer informatie wenst of zullen we binnenkort een koffietje doen?”
3.1.21.
Op 15 januari 2022 heeft [naam 2] vanaf zijn [bedrijf 1] -account een e-mail (met als onderwerp: “
Oxiline-50 Introductie”) aan [naam 5] van [bedrijf 4] gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Beste [naam 5] , (…)
[bedrijf 1] innoveert verder en heeft nu ook zilver gestabiliseerde waterstofperoxideOxiline-50om je beter te helpen met totale hygiëne in uw bedrijf.
Door onze agrarische achtergrond en jarenlange ervaring met microbiologische controle van complexe watersystemen hebben wij ons ontwikkeld tot een geschikte partner die samen met jou de actuele problematiek binnen de glastuinbouw te lijf gaat. Met succes zetten we onze innovatieve producten in, om samen met jou als ondernemer/kweker een optimaal resultaat te behalen. Om dit te bewerkstelligen geven wij technisch advies en begeleiding bij het gebruik van onze producten.
(…)
Graag zouden we onze resultaten me[t] je willen delen en samen bekijken of we ook bij jou, net als wij bij onze kwekerijen hebben gedaan, e.e.a. verder kunnen optimaliseren.
Je mag me altijd bellen.”
3.1.22.
Per e-mail van 20 januari 2022 heeft [geïntimeerden] aan [naam 1] medegedeeld dat het recht op de klantenvergoeding is komen te vervallen omdat hij het concurrentiebeding uit de vaststellingsovereenkomst heeft overtreden. Volgens [geïntimeerden] is sprake van een overtreding omdat [bedrijf 1] waterstofperoxide-producten te koop heeft aangeboden en [naam 1] (indirect) aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap is.
3.1.23.
In de periode vanaf begin 2022 is [geïntimeerden] vrijwel al haar waterstofperoxide-klanten kwijt geraakt.

4.Eerste aanleg

4.1.
[appellant] heeft [geïntimeerden] op 10 juni 2022 voor de rechtbank Noord-Holland gedagvaard en betaling gevorderd van de volledige klantenvergoeding van € 82.280,-- (inclusief btw) en buitengerechtelijke kosten van € 1.597,80, plus de wettelijke handelsrente over deze bedragen.
4.2.
[geïntimeerden] heeft tegen de vordering verweer gevoerd. Ook heeft [geïntimeerden] een vordering in reconventie (een ‘tegenvordering’) ingesteld onder de voorwaarde dat komt vast te staan dat zij nog enig bedrag aan [appellant] moet betalen. De vordering strekt tot (a) wijziging door de rechter van de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling (artikel 6:230 lid 2 BW), in die zin dat [geïntimeerden] niet verplicht is om een klantenvergoeding te betalen, (b) betaling van € 82.280,-- aan verbeurde contractuele boetes, en (c) betaling van € 82.280,-- aan schadevergoeding uit onrechtmatige daad. [appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.
4.3.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft volgens de kantonrechter geen recht op de klantenvergoeding omdat het concurrentiebeding is geschonden. Daartoe overwoog de kantonrechter onder meer dat concurrerende activiteiten van [bedrijf 1] in het kader van de vaststellingsovereenkomst aan [naam 1] en [appellant] toegerekend kunnen worden en dat er sprake was van ‘competitie voeren’ in de zin van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst. Op de tegenvordering van [geïntimeerden] heeft de kantonrechter niet beslist omdat de voorwaarde waaronder die vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan.

5.Beoordeling

5.1.
Ook in hoger beroep is de kernvraag of het concurrentiebeding van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst is overtreden.
Uitleg van het concurrentiebeding
5.2.
Voor het antwoord op deze vraag is in de eerste plaats van belang hoe dit beding moet worden uitgelegd. Volgens [geïntimeerden] is de strekking van het concurrentiebeding dat het [naam 1] is verboden om haar te beconcurreren, ook via [bedrijf 1] of een andere vennootschap. Hiertegen heeft [appellant] ingebracht dat moet worden uitgegaan van de tekst van het concurrentiebeding en dat daaruit volgt dat alleen haar activiteiten en die van [naam 1] als haar statutair bestuurder onder het beding vallen. [geïntimeerden] wist dat [naam 1] betrokken was bij [bedrijf 1] en dat deze vennootschap waterstofperoxide zou gaan verkopen. Als [geïntimeerden] had bedoeld dat het concurrentiebeding ook op activiteiten van [bedrijf 1] van toepassing zou zijn, dan had zij dit met zoveel woorden in het beding moeten opnemen, zo betoogt [appellant] .
5.3.
Bij de uitleg van het concurrentiebeding komt het aan op de zin die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan die contractsbepaling mochten toekennen en op hetgeen zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij het toepassen van deze maatstaf zijn alle omstandigheden van het geval van belang en moeten die worden meegewogen naar hetgeen de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen. Partijen hebben dit in hun processtukken ook onderkend.
5.4.
Het hof is van oordeel dat [appellant] (in de persoon van [naam 1] ) heeft behoren te begrijpen dat het de bedoeling van [geïntimeerden] (in de persoon van [naam 3] ) was dat ook handelingen van [bedrijf 1] onder het concurrentiebeding kunnen vallen, ondanks dat dit niet uitdrukkelijk in de tekst van de vaststellingsovereenkomst is vermeld. Het volgende is daarbij van belang.
5.5.
[naam 1] is zowel indirect de enige bestuurder en aandeelhouder van [appellant] als indirect medebestuurder en 50%-aandeelhouder van [bedrijf 1] . Hij heeft dus zeggenschap over beide vennootschappen en een belang bij hun financiële positie. [geïntimeerden] heeft onweersproken gesteld dat de klantenvergoeding tegenover het concurrentiebeding staat en dat de hoogte van die vergoeding is gebaseerd op een half jaar provisie van [appellant] onder de agentuurovereenkomst. Gelet op dit een en ander ligt het bepaald niet in de rede dat [geïntimeerden] een klantenvergoeding van € 82.280,-- zou hebben willen betalen als het concurrentiebeding de mogelijkheid open zou laten dat zij in het eerste half jaar van 2022 wel actief beconcurreerd mocht worden door [naam 4] via [bedrijf 1] . Dat zou immers erop neerkomen dat [geïntimeerden] al in het eerste half jaar haar klanten indirect aan [naam 1] kan verliezen, maar zij wel indirect een klantenvergoeding aan hem is verschuldigd voor het behouden van haar klanten in die periode.
5.6.
Daar komt bij dat [geïntimeerden] ( [naam 3] ), in het voortraject van de vaststellingsovereenkomst bij herhaling aan [appellant] ( [naam 1] ) kenbaar heeft gemaakt dat het behouden van haar klanten voor haar van groot belang was. Zo heeft [naam 3] al na de eerste gesprekken met [naam 2] in juni-juli 2021 meerdere keren aan [naam 1] medegedeeld dat hij zich zorgen maakte dat zij klanten aan [bedrijf 1] zouden gaan verliezen (zie hiervoor in 3.1.6). Ook heeft [naam 3] in zijn e-mail van 25 november 2021 als uitgangspunt genoemd dat [naam 1] zich terugtrekt van de klanten van [geïntimeerden] (zie hiervoor in 3.1.9). Naar aanleiding van het verzoek van [naam 1] , op 29 december 2021, om het eerste concept van de vaststellingsovereenkomst te wijzigen (onder meer door hem zelf daarin niet als contractspartij te vermelden) heeft [naam 3] hem via whatsapp gevraagd of hij bedoelde dat hij met een andere BV wel waterstofperoxide zou mogen aanbieden (zie hiervoor in 3.1.14). Ook daaruit viel op te maken dat [geïntimeerden] voor de duur van het concurrentiebeding geen klanten via [bedrijf 1] aan [naam 1] wilde verliezen. Dat [naam 1] dit ook zo heeft begrepen blijkt uit zijn verklaring tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat hij met zijn antwoord (“
ik bedoel hiermee dat ik mezelf niet actief mag bezig houden met de verkoop”) heeft beoogd [bedrijf 1] buiten de vaststellingsovereenkomst te houden. Gelet op de ook voor [appellant] ( [naam 1] ) kenbare bedrijfsbelangen van [geïntimeerden] bij het zo lang mogelijk behouden van haar klanten en de volkomen heldere vraag van [naam 3] (“
Bedoel je met je feedback dat je met een andere BV wel H2O2 mag aanbieden?”) moet het voor [naam 1] hoe dan ook redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de bedoeling van [geïntimeerden] met het concurrentiebeding was dat [naam 1] [geïntimeerden] gedurende een half jaar ook niet via [bedrijf 1] concurrentie zou mogen aandoen. Ook heeft [naam 1] redelijkerwijs moeten begrijpen dat daarbij niet beslissend is of hij zelf op naam van [bedrijf 1] handelt aangezien hij als indirect medebestuurder sowieso zeggenschap heeft over het doen en laten van deze vennootschap.
5.7.
[appellant] kan niet worden gevolgd in haar betoog dat het concurrentiebeding tijdens onderhandelingen is ‘uitgekleed’, dat beide partijen daarbij werden bijgestaan door een advocaat en dat daarom bij de uitleg van dit beding moet worden uitgegaan van de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de woorden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerden] namelijk onweersproken gesteld dat zij alleen bij het opstellen van de
eersteconceptversie van de vaststellingsovereenkomst door haar advocaat is bijgestaan en niet bij de contacten met [appellant] en de twee versies van de vaststellingsovereenkomst die daarna zijn gevolgd. Overigens heeft [geïntimeerden] ( [naam 3] ) naar eigen zeggen toen afgezien van verdere bijstand door een advocaat omdat zij op basis van hun jarenlange samenwerking ervan uit ging dat zij [appellant] ( [naam 1] ) kon vertrouwen. Bovendien is voor de uitleg van het concurrentiebeding niet alleen van belang wat in december 2021 tussen partijen is voorgevallen maar ook in de daaraan voorafgaande periode, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen. Kortom, in het betoog van [appellant] ziet het hof geen enkele aanleiding om de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het concurrentiebeding beslissend te achten voor de uitleg van dit beding.
5.8.
Evenmin kan [appellant] worden gevolgd in haar betoog dat een uitleg waarbij de activiteiten van [bedrijf 1] onder het concurrentiebeding vallen tot het onwaarschijnlijke rechtsgevolg zou leiden dat deze vennootschap voor een half jaar wordt ‘lamgelegd’. Dit alleen al omdat [appellant] zelf heeft gesteld dat [bedrijf 1] zich ook bezig houdt - en dat al sinds haar oprichting in 2020 - met de verkoop van een ander, niet op waterstofperoxide gebaseerd reinigingsmiddel (‘Arclean’, zie ook de hiervoor in 3.1.20 geciteerde e-mail). De stelling dat bij die uitleg [bedrijf 1] zou worden lamgelegd is overigens geenszins voorzien van een deugdelijke onderbouwing.
5.9.
De conclusie is dat ook het handelen van [bedrijf 1] onder het concurrentiebeding valt. Het hof passeert het aanbod van [appellant] om te bewijzen dat in een bespreking op 20 december 2021 is overeengekomen dat “
de bedoeling van artikel 5 ‘slechts’ was een verbod voor [naam 1] en [appellant] om in de periode 1 januari 2022 tot 1 juli 2022 actief de markt te benaderen/competitie te voeren” omdat [appellant] niet heeft uitgelegd welke relevantie daaraan toekomt nu zich na 20 december 2021 de hiervoor in 3.1.11-3.1.18 vermelde feiten nog hebben voorgedaan, waarop het hof zijn uitlegoordeel mede heeft gebaseerd.
Het concurrentiebeding is overtreden
5.10.
Op grond van de hiervoor aan het concurrentiebeding gegeven uitleg is het hof verder van oordeel dat de e-mails van [bedrijf 1] aan [bedrijf 4] van 8 en 15 januari 2022 (hiervoor in 3.1.20 en 3.1.21 geciteerd) een overtreding van dit beding opleveren. In de e-mail van 15 januari 2022 heeft [bedrijf 1] , blijkbaar ongevraagd, haar waterstofperoxide-product aangeboden. Met deze e-mail is voortgeborduurd op de op 8 januari 2022, dus kort daarvoor, verstuurde e-mail waarin [naam 1] [bedrijf 1] , blijkbaar ongevraagd, aan [bedrijf 4] heeft gepresenteerd. De e-mails moeten tezamen worden aangemerkt als het actief de markt benaderen en/of actief competitie voeren op het gebied van waterstofperoxide als bedoeld in het concurrentiebeding. Daarnaast is het waterstofperoxide-product van [bedrijf 1] aangeboden in flyers die in de eerste helft van 2022 zijn verspreid (zie hiervoor in 3.1.19). Ook dat moet - ook als deze flyers niet door [naam 1] zelf zijn verspreid - worden aangemerkt als het actief de markt benaderen en/of actief competitie voeren, en levert daarom een overtreding van het concurrentiebeding op.
Conclusie en proceskosten
5.11.
Net als de kantonrechter komt het hof tot de conclusie dat het concurrentiebeding is overtreden, met als gevolg dat het recht op de klantenvergoeding op grond van artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst volledig is komen te vervallen. Het subsidiaire standpunt van [appellant] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerden] zich met succes op het vervallen van het recht op de klantenvergoeding zou kunnen beroepen (inleidende dagvaarding, alinea’s 16 en 27), heeft de kantonrechter impliciet verworpen en daartegen is [appellant] in hoger beroep niet opgekomen. Overigens is dit standpunt terecht verworpen. Het is gebaseerd op de stelling dat [geïntimeerden] met zoveel woorden in de onderhandelingen had moeten aankaarten en/of in de vaststellingsovereenkomst had moeten opnemen dat ook [bedrijf 1] onder het concurrentiebeding zou vallen. Daarmee miskent [appellant] dat [geïntimeerden] ( [naam 3] ) dit punt heeft aangekaart met het whatsappbericht van 29 december 2021 en dat de bedoeling daarvan voor [appellant] ( [naam 1] ) duidelijk was althans redelijkerwijs had moeten zijn, zoals het hof hiervoor in 5.6 heeft geoordeeld. Ook miskent [appellant] dat de rechter de maatstaf ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ met terughoudendheid moet toepassen.
5.12.
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Bij die uitkomst is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder [geïntimeerden] haar incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, zodat het hof niet toe komt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.
5.13.
[geïntimeerden] heeft in haar memorie verzocht om “
veroordeling van Spijker in de volledige proceskosten (in eerste aanleg en in hoger beroep)”. Het hof gaat ervan uit dat dit verzoek bij vergissing in de memorie is opgenomen, gelet op de naam ‘Spijker’ en het feit dat een aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten in het geheel niet door [geïntimeerden] is toegelicht. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep conform de gebruikelijke forfaitaire tarieven, zoals hierna is vermeld. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep blijft een proceskostenveroordeling achterwege.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 juli 2023;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 2.135,-- aan verschotten, € 4.426,-- voor salaris van de advocaat en € 178,-- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,-- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan deze veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
verklaart deze veroordeling tot betaling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, H.K.N. Vos en A.J.M. Lauvenberg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.