ECLI:NL:GHAMS:2025:3649

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
200.361.224
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep schuldsaneringsregeling en niet-ontvankelijkheid verzoek

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de niet-ontvankelijkheid van de appellante in haar verzoek tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Appellante, die in gemeenschap van goederen was getrouwd met een ex-partner die in Frankrijk gedetineerd is, heeft gesteld dat zij geen aanbod heeft kunnen doen voor een buitengerechtelijke schuldregeling omdat zij geen inzicht heeft in de schulden van haar ex-partner. Het hof oordeelt dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk was om tot een buitengerechtelijke regeling te komen. De verklaring van 1 augustus 2025, waarin werd gesteld dat andere omstandigheden dit onmogelijk maakten, is niet voldoende onderbouwd. Het hof concludeert dat appellante niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 285 lid 1 sub a van de Faillissementswet, die vereist dat een verzoekschrift tot schuldsanering vergezeld gaat van een staat van baten en schulden. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, die appellante eerder niet-ontvankelijk had verklaard in haar verzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.361.224/01
zaaknummer rechtbank : C/15/368885 FT RK 25/631
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M.A.M. de Vries-Meijer te Alkmaar.

1.Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna [appellant] genoemd.
[appellant] is bij op 7 november 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 30 oktober 2025, waarbij [appellant] niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 9 december 2025. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door R. Arissen en J. Zijp, beiden schuldhulpverlener bij de gemeente [plaats] , en mr. De Vries-Meijer voornoemd die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, met bijlage, het dossier van de rechtbank waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en de namens [appellant] op 2 december 2025 overgelegde brief van [naam] , beschermingsbewindvoerder van [appellant] . De advocaat van [appellant] heeft verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover van belang - het volgende aangevoerd. De ex-partner van [appellant] , met wie [appellant] in gemeenschap van goederen was getrouwd, is al twee jaar gedetineerd in Frankrijk waar hij een celstraf van acht jaar uitzit. De ex-partner had een onderneming en mogelijk zijn er schulden ontstaan tijdens de exploitatie van de voormalige onderneming. Doordat de administratie van de onderneming niet bewaard is gebleven en de ex-partner gedetineerd is, heeft hijzelf geen inzicht in de omvang van de schulden. [appellant] heeft met alle mogelijke middelen getracht om de schulden die voortvloeien uit de huwelijksgemeenschap in kaart te brengen. Zo heeft zij, onder andere, bij verschillende potentiële schuldeisers van haar ex-partner informatie opgevraagd over zijn schulden, maar daarop heeft zij meerdere malen bericht gekregen dat die informatie niet met haar gedeeld wordt omdat zij niet de contractspartij is. Voor [appellant] is het hierdoor onmogelijk gebleken om de schulden die voortvloeien uit de huwelijksgemeenschap volledig in kaart te brengen. Een minnelijk schuldsaneringstraject is hierdoor niet mogelijk omdat de schulden die niet bekend zijn dan niet worden gesaneerd.
2.2
Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellant] kan worden ontvangen in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.
2.3
Op grond van het bepaalde in artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, Faillissementswet (Fw) is het uitgangspunt van de wetgever dat de schuldenaar voorafgaand aan een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een poging doet om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Indien de schuldenaar niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling is gekomen, dient het verzoekschrift een met redenen omklede verklaring te bevatten dat er geen reële mogelijkheden voor een dergelijke regeling zijn. Deze verklaring moet afkomstig zijn van het college van burgemeester en wethouders van de woonplaats van de schuldenaar, een daartoe gemandateerde instelling, een daartoe aangewezen (rechts)persoon of een schuldbemiddelingsinstantie. Aan deze bepaling is met ingang van 1 juli 2023 toegevoegd dat als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging hoeft te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.
2.4
Het hof constateert dat [appellant] geen poging heeft gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen met haar schuldeisers. In de op 1 augustus 2025 ondertekende verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, Fw staat vermeld dat [appellant] aan de schuldeisers geen aanbod heeft gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, omdat andere omstandigheden dit voor [appellant] onmogelijk maken. Uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van de beschermingsbewindvoerder van 2 december 2025 volgt, samengevat weergegeven, dat geen aanbod is gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, omdat het doorlopen van een minnelijk traject [appellant] niet volledig schuldenvrij zou maken vanwege de huwelijkse schulden op naam van de ex-partner met wie zij in gemeenschap van goederen was getrouwd. De beschermingsbewindvoerder geeft in voornoemde brief aan dat het haar niet lukt om de schulden die op naam van de ex-partner staan, op te vragen omdat zij niet de beschermingsbewindvoerder van de ex-partner is. Deze verklaring wordt in het beroepschrift onderbouwd met een e-mail van Odido van 3 juli 2024 waarin staat vermeld dat het opgegeven klantnummer wel bij een abonnement hoort maar dat dat abonnement niet door [appellant] is afgesloten en dat in verband met privacy geen gegevens kunnen worden aangepast en/of verstrekt. Voorts heeft [appellant] verwezen naar een e-mail van CZ van 16 januari 2025, gericht aan de beschermingsbewindvoerder, waaruit volgt dat de polis op naam van A. ten Hagen (naar het hof begrijpt: de ex-partner) niet wordt verstrekt omdat haar beschermingsbewindvoerder niet de beschermingsbewindvoerder is van de ex-partner.
2.5
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het voor haar onmogelijk is om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Anders dan in het beroepschrift is vermeld, is niet gebleken dat [appellant] , met alle mogelijke middelen, heeft getracht om de schulden die voortvloeien uit de huwelijksgemeenschap in kaart te brengen. Uit de verklaring van de beschermingsbewindvoerder en de overgelegde e-mails van Odido en CZ volgt dat slechts is getracht om via de beschermingsbewindvoerder van [appellant] schulden op te vragen van de ex-partner en dat dit niet is gelukt om redenen van privacy. Het dossier bevat geen stukken waaruit volgt dat (schuldhulpverleners van) [appellant] ook op andere manieren (hebben) heeft getracht schulden van de ex-partner, ontstaan tijdens het huwelijk met [appellant] , te achterhalen. Zo heeft [appellant] - met gebruikmaking van een volmacht van de ex-partner - zich bijvoorbeeld niet gewend tot schuldeisers van de ex-partner. Ook is niet gebleken dat [appellant] via de ex-partner heeft getracht schuldeisers te achterhalen. De in dit verband gegeven verklaring van [appellant] ter zitting in hoger beroep dat (telefonisch) contact met de ex-partner vrijwel onmogelijk is, is niet aannemelijk geworden. Gebleken is immers dat [appellant] met haar ex-partner, tijdens diens detentie, een ouderschapsplan heeft opgesteld en dat dat plan door de ex-partner is ondertekend. Daarnaast heeft zij ter zitting in hoger beroep verklaard dat hun kinderen twee keer per jaar - met hun pleegouders - hun vader bezoeken. Daarbij komt dat in het dossier stukken ontbreken waaruit volgt dat (telefonisch) contact met de ex-partner van [appellant] überhaupt onmogelijk is terwijl [appellant] , zo nodig, een beroep kan doen op consulaire bijstand. Ook de verklaring van [appellant] dat de gevangenis waar haar ex-partner is gedetineerd, niet reageert op e-mails en dat zij hiervoor consulaire bijstand heeft verzocht, is niet met stukken onderbouwd. Het had op de weg van (de schuldhulpverleners van) [appellant] gelegen om aan de hand van stukken aannemelijk te maken dat op alle mogelijke manieren is getracht om de schulden, die voortvloeien uit de huwelijksgemeenschap, in kaart te brengen. Van die pogingen is, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende gebleken. Dit betekent dat de hiervoor genoemde verklaring van 1 augustus 2025, dat [appellant] aan de schuldeisers geen aanbod heeft gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen omdat andere omstandigheden dit voor [appellant] onmogelijk zouden maken, onvoldoende met redenen is omkleed en dat tevens niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 285 lid 1 sub a Fw dat een verzoekschrift strekkende tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling dient te zijn voorzien van een staat van de baten en de schulden als bedoeld in artikel 96 Fw.
2.6
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, K. van Dijk en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars mr. D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.