ECLI:NL:GHAMS:2025:3649
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep schuldsaneringsregeling en niet-ontvankelijkheid verzoek
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de niet-ontvankelijkheid van de appellante in haar verzoek tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Appellante, die in gemeenschap van goederen was getrouwd met een ex-partner die in Frankrijk gedetineerd is, heeft gesteld dat zij geen aanbod heeft kunnen doen voor een buitengerechtelijke schuldregeling omdat zij geen inzicht heeft in de schulden van haar ex-partner. Het hof oordeelt dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk was om tot een buitengerechtelijke regeling te komen. De verklaring van 1 augustus 2025, waarin werd gesteld dat andere omstandigheden dit onmogelijk maakten, is niet voldoende onderbouwd. Het hof concludeert dat appellante niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 285 lid 1 sub a van de Faillissementswet, die vereist dat een verzoekschrift tot schuldsanering vergezeld gaat van een staat van baten en schulden. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, die appellante eerder niet-ontvankelijk had verklaard in haar verzoek.