Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:3664

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
200.361.109/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FwArt. 349a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na bestendige keer ten goede

Appellant had bij de rechtbank Noord-Holland verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat appellant niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van haar belastingschuld. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zij eind 2024 haar onderneming heeft gestaakt, in loondienst is getreden en onder streng budgetbeheer staat, waardoor sprake is van een bestendige keer ten goede.

Het hof heeft vastgesteld dat appellant sinds mei 2024 actief heeft gewerkt aan het beëindigen van haar onderneming en het vinden van een baan in loondienst. Zij heeft een vast contract gekregen per 1 januari 2026 en verdient een brutosalaris van circa €3.800 per maand. Er zijn geen nieuwe schulden ontstaan en appellant toont gemotiveerde inzet om haar verplichtingen na te komen.

Op grond van deze feiten oordeelt het hof dat appellant de omstandigheden die tot haar schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen en de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen. Daarom wordt appellant alsnog toegelaten tot de schuldsaneringsregeling met een looptijd van achttien maanden vanaf de datum van het arrest. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere afhandeling.

Uitkomst: Appellant wordt alsnog toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een looptijd van achttien maanden vanaf het arrest.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.361.109/01
zaaknummer rechtbank : C/15/366726 FT RK 25/468
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. S. Faber te Haarlem.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij per e-mail op 5 november 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 28 oktober 2025, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 9 december 2025. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Faber voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, met bijlage, het dossier van de rechtbank waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en de door [appellant] ter zitting in hoger beroep overgelegde e-mail van 8 december 2025 van [winkel] . [appellant] heeft desgevraagd verklaard over de genoemde stukken te beschikken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [appellant] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. Eind 2024 heeft [appellant] de onderneming - een damesmodewinkel in [plaats] - volledig gestaakt en begin 2025 is zij in loondienst getreden. Zij heeft hulp gezocht, staat onder streng budgetbeheer en er zijn geen nieuwe schulden ontstaan. Daarnaast heeft zij in korte tijd bij haar nieuwe werkgever promotie gemaakt zodat meer geld aan de schuldeisers kan worden afgedragen. Dat de keuze om te stoppen met de onderneming uiteindelijk onvermijdelijk was, betekent niet dat er geen sprake is van een wending ten goede. Die is er wel en dat laat [appellant] in woord en daad zien. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij de onderneming niet eerder heeft beëindigd omdat haar ouders ook financieel afhankelijk waren van de onderneming en zij zich voor hen verantwoordelijk voelde. Met betrekking tot haar huidige fulltime baan als storemanager bij [winkel] heeft [appellant] aan de hand van de ter zitting overgelegde e-mail van 8 december 2025 aangevoerd dat zij inmiddels beschikt over een vast contract, ingaande op 1 januari 2026, als erkenning voor de inzet en uitstekende prestaties gedurende het jaar 2025. Gelet op de door haar gemaakte ontwikkeling meent [appellant] dat sprake is van een wending ten goede. Zij verzoekt het hof de schuldsaneringsregeling op de voet van de in artikel 288, derde lid, Faillissementswet (Fw) neergelegde hardheidclausule alsnog op haar van toepassing te verklaren.
2.2.
Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellant] heeft in de genoemde periode een schuld aan de Belastingdienst laten ontstaan van € 156.474,00, bestaande onder meer uit een bedrag van € 109.146,00 aan omzetbelasting. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de belastingschuld en dat deze omstandigheid aan haar toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij niet opkomt tegen dit oordeel maar dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een ‘wending ten goede’ en [appellant] ook niet op grond van de hardheidsclausule van artikel 288, derde lid, Fw kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. [appellant] heeft zich in mei 2024 voor hulp gewend tot de gemeente [plaats] . Bij [appellant] was toen het besef gekomen dat zij haar onderneming die al langere tijd verliesgevend was, moest staken. Na gesprekken met de gemeente is zij in de daaropvolgende maanden actief op zoek gegaan naar een nieuwe huurder voor het bedrijfspand waarin de onderneming was gevestigd. Tegelijkertijd is [appellant] actief gaan solliciteren naar arbeid in loondienst. Dit laatste heeft erin geresulteerd dat zij in november 2024 een baan heeft gevonden bij [winkel] . [appellant] heeft de onderneming eind 2024 gestaakt en met de verhuurder van het bedrijfspand een regeling getroffen omtrent het beëindigen van het huurcontract. Met ingang van 1 januari 2025 is zij fulltime werkzaam voor [winkel] op basis van een arbeidscontract voor één jaar. Uit een e-mail van [winkel] blijkt dat de werkgever zeer tevreden is over de inzet en prestaties van [appellant] over 2025 hetgeen erin heeft geresulteerd dat aan [appellant] een vast contract is toegekend met ingang van 1 januari 2026. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat zij een brutosalaris van ongeveer € 3.800,- per maand verdient exclusief bonussen. Voorts is niet gebleken dat [appellant] na het staken van haar onderneming nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Zij heeft verklaard onder streng budgetbeheer te staan, geen nieuwe overeenkomsten te zijn aangegaan en voor de winkelvoorraad in 2024 uitsluitend inkopen te hebben gedaan bij het World Fashion Centre in Amsterdam, zodat geen nieuwe schulden konden ontstaan. De vordering van de Belastingdienst van 2 september 2025 betreft – zo begrijpt het hof – een achteraf berekende terugvordering van diverse toeslagen over de periode dat [appellant] nog ondernemer was. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep er blijk van gegeven gemotiveerd te zijn zoveel mogelijk inkomsten te verwerven voor de schuldeisers. Al het voorgaande leidt ertoe dat naar het oordeel van het hof sprake is van een bestendige keer ten goede en van een zodanige stabiele situatie die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen en de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
2.4.
Dit betekent dat het verzoek van [appellant] strekkende tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling alsnog zal worden toegewezen. De looptijd van de schuldsaneringsregeling vangt aan op de datum van dit arrest en bedraagt op grond van artikel 349a, eerste lid, Fw achttien maanden. Voor een eerdere ingangsdatum bestaat geen aanleiding omdat onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden vastgesteld dat [appellant] aflossingen heeft gedaan in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling, een en ander als bedoeld in artikel 349a, eerste lid, Fw.
2.5.
De slotsom is dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat op [appellant] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard.

3.Beslissing

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
- verklaart op [appellant] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing;
- verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, om te worden voortgezet met inachtneming van hetgeen in dit arrest is beslist.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, K. van Dijk en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.