ECLI:NL:GHAMS:2025:3670

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/682
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm en vergoeding immateriële schade

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 9 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) die eerder door de rechtbank Noord-Holland was opgelegd. De rechtbank had het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaard en de inspecteur van de Belastingdienst veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade en proceskosten. De belanghebbende, die niet meer werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft geen nieuwe gemachtigde aangesteld en is niet verschenen op de zitting van het Hof. Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard, waarbij het de gronden van de rechtbank heeft overgenomen. De rechtbank had op goede gronden beslist en het Hof zag geen aanleiding om in de kosten te veroordelen. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en biedt inzicht in de procedure rondom naheffingsaanslagen en de vergoeding van schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 23/682
9 december 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z], belanghebbende,
tegen de uitspraak van 22 juni 2023 in de zaak met kenmerk HAA 21/6709 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) alsmede op zijn verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 417;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het vergoeden van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 83;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418.50;
- draagt verweerder op de helft, oftewel € 90,50, van het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden;
- draagt de Staat der Nederlanden de helft, oftewel € 90,50, van het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.”
1.2.
In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft de (toenmalig) gemachtigde van belanghebbende een pro forma hogerberoepschrift en een motivering ingediend en de inspecteur een verweerschrift.
1.3.
De gemachtigde heeft het Hof bij brief van 28 februari 2024 bericht dat hij niet langer optreedt als gemachtigde van belanghebbende. Bij brief van 25 oktober 2024 heeft het Hof dit aan belanghebbende medegedeeld en belanghebbende in overweging gegeven een nieuwe gemachtigde aan te stellen. Belanghebbende heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
1.4.
Partijen zijn behoorlijk uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting op 2 december 2025, maar zijn niet verschenen. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag bpm terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of het oordeel van de rechtbank inzake de vergoeding van immateriële schade en proceskosten juist is.

3.Beoordeling van het geschil

De rechtbank heeft op goede gronden, die het Hof tot de zijne maakt, een juiste beslissing genomen. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd in hoger beroep, leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep is daarom ongegrond.

4.Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.

5.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: