Belanghebbende is in beroep gegaan tegen een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en tegen de beslissing over vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank Noord-Holland had het beroep ongegrond verklaard, maar wel een beperkte vergoeding toegekend voor immateriële schade en proceskosten.
In hoger beroep heeft belanghebbende een pro forma beroepschrift en motivering ingediend, maar na het vertrek van zijn gemachtigde heeft hij geen nieuwe gemachtigde aangewezen en is niet verschenen bij de zitting. Het Hof heeft het onderzoek gesloten en het beroep inhoudelijk beoordeeld.
Het Hof stelt vast dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist en dat de aangevoerde gronden in hoger beroep niet leiden tot een ander oordeel. Daarom verklaart het Hof het hoger beroep ongegrond en bevestigt het de eerdere uitspraak. Het Hof ziet geen aanleiding om partijen in de kosten te veroordelen.
De uitspraak is gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 9 december 2025 en is openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.