ECLI:NL:GHAMS:2025:536
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing opheffing beschermingsbewind wegens onvoldoende zelfredzaamheid
Betrokkene is sinds 6 februari 2018 onder bewind gesteld vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand. Zij verzocht de kantonrechter om het bewind op te heffen, stellende dat haar situatie verbeterd is en zij haar financiën zelf kan beheren. De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna betrokkene in hoger beroep ging.
Het hof heeft de standpunten van partijen onderzocht. Betrokkene stelde dat zij geen cognitieve beperkingen heeft en een netwerk heeft opgebouwd dat haar ondersteunt. De bewindvoerders betoogden dat betrokkene nog steeds hulp nodig heeft bij het beheren van haar financiën, onvoldoende financieel inzicht heeft en dat het zelfredzaamheidstraject nog niet succesvol is afgerond.
Na beoordeling concludeert het hof dat betrokkene onvoldoende heeft aangetoond dat zij zelfstandig haar vermogensrechtelijke belangen kan behartigen. Het budget is kwetsbaar, zij vraagt regelmatig extra geld aan en heeft hulp nodig bij praktische zaken. Ook de ambulante hulpverlening bevestigt dat de doelen van het zelfredzaamheidstraject niet zijn bereikt. Het hof acht het onrealistisch dat minderjarige kinderen haar adequaat kunnen ondersteunen.
Daarom blijft het beschermingsbewind noodzakelijk en wordt het verzoek tot opheffing afgewezen. De bestreden beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind wordt afgewezen en het bewind blijft van kracht.