Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2]
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
3.[geïntimeerde 3] ,
[geïntimeerde 4],
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
1. De oppervlakte van de aan u in gebruik te geven grond bedraagt 22 m2 (…)
(…)
7. Indien de gemeente t.b.v. uit te voeren werken e.d. de uitgegeven grond in hergebruik wenst te nemen, dient deze grond of een gedeelte daarvan, zonder enig recht op schadevergoeding, binnen een termijn van uiterlijk drie maanden na opzegging van onze kant te worden ontruimd.
4.De beoordeling
de eerste drie grievenis aangevoerd dat [geïntimeerden 2] en [geïntimeerden 1] als houders van de litigieuze strook dienen te worden beschouwd en houders geen beroep op verjaring mogen doen noch bezitters kunnen worden (grief 1) en dat [geïntimeerden 2] en [geïntimeerden 1] ook geen daad van in bezit nemen in de periode 1997 tot 2003 hebben gesteld (grieven 2 en 3). Deze grieven falen. Zij miskennen dat de primaire vordering van [appellanten] niet is afgewezen op de vaststelling dat [geïntimeerden 2] en [geïntimeerden 1] door verjaring na bezitshandelingen eigenaar zijn geworden van de litigieuze grond. De vraag of dit zo is, heeft de rechtbank nadrukkelijk onbeantwoord gelaten. De primaire vordering van [appellanten] is door de rechtbank afgewezen op de vaststelling dat die rechtsvordering is verjaard; de periode waarbinnen de onmiddellijke opheffing van de onrechtmatige toestand kon worden gevorderd is verstreken. Dit kan daarom niet jegens [geïntimeerden 2] en [geïntimeerden 1] worden gevorderd volgens de rechtbank, ongeacht de precieze positie van [geïntimeerden 2] en [geïntimeerden 1] ten opzichte van de litigieuze strook. Tegen dit oordeel zijn de grieven niet gericht. De stelling van [appellanten] dat de gemeente in 2010 een brief heeft verzonden die als stuiting moet worden aangemerkt, gaat (reeds) niet op omdat die brief niet binnen zes maanden door een procedure is gevolgd, zoals hier voor een stuiting is vereist.
de vierde griefdie is gekeerd tegen de afwijzing van het subsidiair gevorderde en waarbij is aangevoerd dat het gebruik van de litigieuze strook door [geïntimeerden 2] en [geïntimeerden 1] onrechtmatig is, struikelt op het bovenstaande. De vierde grief heeft dus evenmin succes.