De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin de vader werd verplicht € 392,- per maand aan kinderalimentatie te betalen voor twee minderjarige kinderen. De moeder verzocht om een hoger bedrag van € 529,- en een eerdere ingangsdatum van de alimentatie.
In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de moeder niet voldoende heeft onderbouwd dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de alimentatie verhoogd moet worden. De vader heeft zijn financiële gegevens niet overgelegd, maar de door de moeder ingediende berekening leidde tot een lagere bijdrage dan de rechtbank had vastgesteld. Daarom handhaaft het hof het bedrag van de rechtbank, maar wijzigt de ingangsdatum naar 10 oktober 2023, de datum van het verzoekschrift.
Daarnaast veroordeelt het hof de vader in de proceskosten van het hoger beroep vanwege het veroorzaken van onnodige vertraging door het verzoek om uitstel en het niet verschijnen bij de zitting. De proceskosten worden begroot op € 2.777,-. De beschikking wordt vernietigd en de overeenkomst tussen ouders gewijzigd met de aangepaste alimentatiebedragen en ingangsdata.