ECLI:NL:GHAMS:2025:824
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kwalificatie huurovereenkomst als woonruimte of bedrijfsruimte
Deze zaak betreft de vraag of de huurovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde moet worden gekwalificeerd als huur van woonruimte of bedrijfsruimte. De appellant verhuurde een bijgebouw dat als atelier werd aangeduid, maar feitelijk als woonruimte werd gebruikt. De Huurcommissie had het gehuurde als woonruimte aangemerkt en de huurprijs verlaagd.
De kantonrechter oordeelde dat het gehuurde woonruimte is en wees het beroep van appellant af. In hoger beroep betoogde appellant dat de Huurcommissie niet bevoegd was omdat het om bedrijfsruimte zou gaan. Het hof overwoog dat beslissend is wat partijen omtrent het gebruik voor ogen hadden, mede gelet op de inrichting en communicatie.
Ondanks dat de verhuurder en beheerder het gehuurde als bedrijfsruimte presenteerden, was het gehuurde feitelijk als woonruimte ingericht en werd het ook zo gebruikt en gepresenteerd aan geïntimeerde. De huurovereenkomst en communicatie wekten de indruk van woonruimte. Het hof concludeerde dat geïntimeerde mocht aannemen dat hij woonruimte huurde en dat het toepasselijke huurrecht voor woonruimte van toepassing is.
Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en het vonnis in reconventie wordt bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en het vonnis in reconventie wordt bekrachtigd.