Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
€ 1.571(tarief III van € 1.571 × 2 punten × 0,5)
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond centraal of appellante nog betalingen moest doen aan geïntimeerde voor geleverde zoetwaren, dan wel dat zij alles reeds had voldaan. Appellante betwistte de hoogte van de prijzen en voerde een beroep op opschorting wegens vermeende wanprestatie van geïntimeerde op grond van een franchiseovereenkomst.
Het hof oordeelde dat geïntimeerde geen partij was bij de franchiseovereenkomst tussen appellante en een derde partij, waardoor de rechten en verplichtingen uit die overeenkomst niet op geïntimeerde van toepassing zijn. Het beroep op opschorting faalde daarom. De bewijsopdracht die de rechtbank had gegeven over een vermeende prijsafspraak in 2020 werd door het hof onderschreven; appellante slaagde er niet in dit te bewijzen, mede omdat een relevante bandopname niet werd overgelegd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank waarin appellante werd veroordeeld tot betaling van openstaande facturen en bijkomende kosten. Appellante werd veroordeeld in de proceskosten van zowel het principaal als incidenteel hoger beroep. Het arrest werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 8 april 2025.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellante tot betaling van de openstaande facturen en proceskosten.