De verdachte werd beschuldigd van het besturen van een voertuig onder invloed van cocaïne met een bloedconcentratie van 427 microgram per liter, hoger dan de wettelijke grenswaarde. In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot een geldboete en een voorwaardelijke rijontzegging.
In hoger beroep stelde de verdediging dat de bloedafname onregelmatigheden vertoonde, met name dat de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie pas na het verhoor en de bloedafname plaatsvond, wat volgens hen in strijd was met artikel 53, tweede lid, Sv. Het hof onderzocht de tijdstippen en concludeerde dat de bloedafname tijdens het verhoor plaatsvond en dat de voorgeleiding binnen veertig minuten na aanhouding plaatsvond, wat voldoende waarborg biedt voor de belangen van de verdachte.
Het hof verwierp het verweer van de verdediging en achtte het bewezen dat de verdachte onder invloed van cocaïne reed. Gezien de ernst van het feit, de eerdere veroordeling van de verdachte voor soortgelijke feiten en de richtlijnen van het LOVS, legde het hof een geldboete van €850 en een voorwaardelijke rijontzegging van twaalf maanden op met een proeftijd van twee jaar.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met de genoemde strafoplegging.