ECLI:NL:GHAMS:2026:1060
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beslag op aandelen bedrijf: vernietiging beschikking en opheffing beslag
In deze civiele zaak stond centraal of appellant op de datum van beslaglegging aandeelhouder was van het bedrijf waarvan aandelen in beslag waren genomen. Appellant had in hoger beroep een verzwaarde motiveringsplicht om zijn betwisting te onderbouwen. Hij overlegde onder meer een kopie van het aandeelhoudersregister met een verklaring van een notaris, notulen van jaarvergaderingen en de jaarrekening 2023.
Geïntimeerde voerde aan dat appellant niet had aangetoond dat hij geen aandeelhouder was, onder meer omdat de notarisverklaring was gebaseerd op informatie van appellant zelf en de notulen dateren van na de beslaglegging. Het hof oordeelde echter dat appellant met de overgelegde stukken voldoende had voldaan aan zijn motiveringsplicht. De notulen toonden aan dat appellant als directeur en niet als aandeelhouder aanwezig was, en de jaarrekening ondersteunde dat er geen dividend was uitgekeerd vanwege negatief vermogen.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking, wees het verzoek van geïntimeerde om de aandelen te mogen verkopen en overdragen af en hief het beslag op. Geïntimeerde werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, terwijl het verzoek van appellant om ook de proceskosten in eerste aanleg te verhalen werd afgewezen omdat hij zijn betwisting pas in hoger beroep voldoende had onderbouwd.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking, wijst het verzoek tot verkoop van de aandelen af en heft het beslag op.