Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1069

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
200.332.859/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 7:907 BWArt. 2 WCAM-overeenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verjaring vernietigingsrecht effectenleaseovereenkomst

In deze civiele zaak staat centraal of de echtgenote van de afnemer tijdig haar recht tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst heeft uitgeoefend. De effectenleaseovereenkomst werd gesloten tussen de afnemer en een rechtsvoorgangster van Dexia Nederland B.V. De echtgenote had geen schriftelijke toestemming gegeven voor het aangaan van deze overeenkomst en heeft met een brief van 23 mei 2007 de overeenkomst vernietigd op grond van artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro.

De kantonrechter had de effectenleaseovereenkomst vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de echtgenote. Dexia ging in hoger beroep tegen het oordeel dat de vernietigingsvordering niet was verjaard. Het hof overweegt dat de effectenleaseovereenkomst kwalificeert als koop op afbetaling en dat de echtgenote het recht heeft tot vernietiging wegens het ontbreken van schriftelijke toestemming.

De verjaringstermijn van drie jaar vangt aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst. Dexia stelt dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomst, waardoor de verjaring zou zijn gestuit. Het hof laat Dexia toe bewijs te leveren van deze stelling, onder meer door getuigenverhoor, en houdt verdere beslissing aan. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 21 april 2026.

Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe over de bekendheid van de echtgenote met de effectenleaseovereenkomst en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.332.859/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9531959 EL 21-297
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 1],
wonend te [plaats] (gemeente [plaats] ),
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam
en
[geïntimeerde 2],
wonend te [plaats] (gemeente [plaats] ),
gevoegde en tussenkomende partij,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia, de echtgenote en afnemer genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

In deze zaak heeft het hof op 11 juni 2024 een tussenarrest gewezen en daarin de incidentele vordering tot voeging en tussenkomst van afnemer toegewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dit tussenarrest verwezen.
Afnemer heeft daarna een conclusie na voeging en tussenkomst ingediend.
De echtgenote heeft vervolgens een antwoordmemorie ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.
2.1.
De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer]
22-7-1998
Direct Rendement Effect
180 mnd
28-5-2003
-/- € 21.918,97
2.2.
De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.
2.3.
Bij brief van 23 mei 2007 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro meegedeeld de effectenleaseovereenkomst te vernietigen.

3.Beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op de door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomst is vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenote niet is verjaard.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro het recht de effectenleaseovereenkomst, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW Pro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW Pro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomst en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:
  • naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van relatief grote omvang (NLG 198.469,30);
  • de effectenleaseovereenkomst is via een tussenpersoon tot stand gekomen. Een tussenpersoon kwam in de regel meerdere malen bij een afnemer op huisbezoek. De kans is groot is dat de echtgenote de tussenpersoon heeft gezien, dan wel dat deze bezoeken door de echtgenote en afnemer zijn besproken;
  • op de effectenleaseovereenkomst is een bedrag van € 18.466,62 aan incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;
  • afnemer heeft vanaf juli 1998 met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangsters ontvangen op het huisadres van afnemer en de echtgenote. Het is onaannemelijk dat de echtgenote deze poststukken niet heeft opgemerkt ;
  • Dexia gaat er vanuit dat afnemer en de echtgenote gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat de echtgenote deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat afnemer de betaalde rente heeft afgetrokken.
De echtgenote heeft het bovenstaande betwist. Naar het oordeel van het hof heeft Dexia hiermee voldoende gemotiveerd gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst. Het hof zal Dexia overeenkomstig haar aanbod toelaten bewijs te leveren van de feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst, zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
4.1.
laat Dexia toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. M.M. Kruithof die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 7 mei 2026 om 13.30 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, J.W.M. Tromp en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.